Feeds:
Berichten
Reacties

We hebben Seabert nodig

‘Ik kom vandaag maar even niet langs’, appt een vriendin me, ‘want ik klink nu als Seabert’. Vriendin S. is een paar jaar ouder dan ik en soms refereert ze aan dingen die voor mij ‘toch die ene film met Bradley Cooper?’ en voor haar een tv-serie uit haar jeugd zijn, maar Seabert ken ik.
Om haar een beetje op te vrolijken stuur ik haar het introfilmpje van de tekenfilmheld (‘kijk maar eens hoe slim, een zeehondje kan zijhijn’). Het liedje was er zo één van, gooi er een kwartje in en ik zing het van A tot Z mee, maar ik was toch een deel vergeten. Het begint namelijk met paradijselijke beelden van dieren die staan te grazen en een voiceover die zegt: ‘In vroeger tijden bestond er op aarde een zeker evenwicht tussen dieren en mensen. Geen van beiden soorten vormde een bedreiging voor elkaars bestaan. Helaas is die omstandigheid veranderd…’ Waarna trommelende jagers het beeld in marcheren. ‘Tegenwoordig is er geen plekje meer op aarde waar honderden diersoorten níet worden bedreigd.’ En dan iets over minachting door de meedogenloze, zich immer uitbreidende mens.
Pas daarna komt het waggelende witte zeehondje in beeld. En daarna komen jagers bijna in hun eigen wildklemmen terecht.
Seabert was een held uit de jaren ’80. Niet toevallig de tijd waarin we meezongen met Urbanus dat madammen met een bontjas gemeen zijn en met Kinderen voor Kinderen verklaarden dat we geen tweedehands jas wilden.
Ik ben bang dat de jongen die nu rondlopen in jassen van Airforce of The North Face met een (of meerdere!) dierenlijk in hun nek nog nooit van Seabert hebben gehoord.
Ik kan me namelijk niet voorstellen dat iemand die ooit meeleefde met de avonturen van Tommy, Aura en de witte knuffel, ijskoud een jas zou dragen waar een soortgelijk beestje levend voor gevild is. Of vergast. Of anaal geëlektrocuteerd.
Maar als ik om me heen kijk dan is Seabert behoorlijk in de vergetelheid geraakt want de vossen, dassen en wasbeerhondjes zweven met regelmaat op ooghoogte voorbij als ik door een winkelstraat loop. Als er wind staat lijkt het af en toe of de beesten nog leven, maar helaas (het zou toch zo mooi zijn als de dragers op een onverwacht moment keihard in hun nek gebeten werden).
Laatst zat ik in de bioscoop naar een film te kijken waarin één van de twee hoofdpersonen ook zo’n schaamkraag droeg. Alsof het doodnormaal was (terwijl de actrice wel beweert anti-bont te zijn). Ik hoopte zó dat Tommy en Aura haar even een lesje zouden leren. En dat leek ook even te gaan gebeuren, maar het was haar tegenspeler die in een wildklem vast kwam te zitten.
Foei, Seabert! 

Advertenties

Hoeveel ellende kan een boek aan zonder dat het kitsch wordt? ‘A little life’ ging over de grens heen, ‘Sing unburied sing’ weet beter te doseren en dankzij de schrijfstijl van Jasmyn Ward blijft ‘mooi’ de boventoon voeren.
Het eerste hoofdstuk van ‘Sing, unburied, Sing’ zien we door de ogen van Jojo, een 13-jarige jongen van gemengde afkomst (zijn vader is wit, zijn moeder African American (en deels native?). Samen met zijn 3-jarige zusje woont hij bij zijn grootouders. Zijn moeder waait op onregelmatige tijden aan. Zijn grootvader, op wie hij veel lijkt, is zijn voorbeeld. Hij luistert graag naar hem als hij verhalen vertelt.
Leonie is dertig en verslaafd aan crystal meth. De vader van haar twee kinderen zit in de gevangenis maar komt binnenkort vrij.
Ondanks dat haar vader het een slecht idee vindt, neemt ze haar twee kinderen mee om Michael, haar vriend, op te gaan halen. Ze weet dat zijn ouders, die niets van haar en haar kinderen moeten weten, het niet zullen doen.
Onderweg wordt er iemand ziek, moeten de kinderen wennen aan de mensen die hun biologische ouders zijn en kruipt er een verstekeling in de auto.
Doordat de hoofdstukken afwisselend door Jojo en Leonie (en later ook nog door een ander personage) verteld worden was ik af en toe kwijt wie ik nu ook alweer ‘was’. Verder is het knap hoe Ward het verhaal over een gezin waarin zoveel ellende heeft plaatsgevonden (tienerzwangerschap, een vermoorde zoon en een moeder die op sterven ligt) niet melodramatisch weet te maken. Het is echt, pijnlijk en mooi zoals het leven is. 

Alle kleine beetjes…

Alle kleine beetjes helpen, en hoe eerder je begint met jouw kleine beetjes, hoe beter (column voor EcoGoodies). 

Zeer kort verhaal <20

Maquette

Ideeën lijken soms in de lucht te zweven en ongeveer tegelijkertijd in verschillende hoofden te ‘landen’. Men noemt het synchroniciteit, geloof ik. Zo had ik een paar weken geleden een stukje geschreven over het ‘gebruik’ van de Nederlandse taal in Amerikaanse tv-series. Tot mijn stomme verbazing zag een dag later in Zondag met Lubach woord voor woord mijn column voorbij komen. Ik heb letterlijk met open mond zitten kijken.
Blijkbaar heb ik ‘een lijntje’ met iemand uit de redactie van dat programma want afgelopen zondag kwam er ook weer een onderwerp voorbij dat me de laatste tijd bezig heeft gehouden. Alleen kwamen we dit keer ieder met een andere oplossing voor het probleem.
Het probleem: over de gehele wereld staan Olympische dorpen te vergaan. Verlaten stadions, appartementen die staan te verkrotten, de ghost towns van de gold rush zijn er niets bij. En elke vier jaar worden er nieuwe stadions gebouwd en daar zijn nieuwe grondstoffen voor nodig, wat natuurlijk nogal belastend is voor het milieu.
Bij Zondag met Lubach hadden ze daar een oplossing voor bedacht. Tex kwam de studio in met een maquette van een eiland dat in de toekomst ‘het Olympisch eiland’ moest worden. Op dat eiland konden in de toekomst zowel alle zomer- als alle winterspelen gehouden worden.
Ik zag wat haken en ogen aan dat plan zitten, en het mijne was dan ook iets anders. Waarom zorgen we er niet voor dat al die stadions hergebruikt kunnen worden? Na de spelen kunnen ze dan weer uit elkaar gehaald worden en verscheept naar de volgende locatie. Daar worden ze dan, aan de hand van een instructieboekje met tekeningetjes, weer in elkaar gezet.
En om in de sfeer van de spelen te blijven, maken we van het in elkaar zetten van stadions ook een wedstrijd. Welk land kan dat het snelste en beste?
En om het een beetje eerlijk te houden geven we het Zweedse team geen gereedschap maar alleen zo’n lullig L-vormig slurfje. Lycka till. 

Vlak voor haar 30e verjaardag wordt Noor single. Zeer tegen haar zin. Bijna een jaar later, na een aantal losse flodders is ze weer (of nog steeds) single, besluit ze voor haar 31e verjaardag een ongebruikelijk cadeau te vragen: ‘Geef mij op mijn feestje een briefje met daarop de naam en het telefoonnummer van een Leuke Jongen die op de hoogte is van het feit dat ik hem ga bellen voor een afspraak. Het hoeft niet iemand te zijn die je persoonlijk kent.’
‘Dertig dates cadeau -Een zoektocht naar liefde in een single bestaan’ is niet alleen een, eerlijk en soms hilarisch verslag van hoe een aantal van die afspraakjes verlopen, maar ook een beschouwing over het single-zijn en hoe de maatschappij daar tegenaan kijkt. En hoe in Hollywoodfilms en series elke single altijd maar aan de man ‘moet’ (en baby’s, dat schrijft ze er niet bij, maar dat is dan weer mijn persoonlijke ‘ja hoor, daar gáán we weer’).
Het relaas leest als een verzameling columns en is moeilijk weg te leggen. Ik hoop van harte dat ik niet zo’n irritante non-single ben die in elk gesprek met een single vriendin haar het gevoel geeft dat er iets niet aan haar klopt (nee toch, zo ben ik toch niet?) en vraag me af met wie ik op de proppen zou komen als één van mijn vriendinnen eenzelfde verjaardagswens zou hebben. Want wat Noor al schrijft: mensen die al lang ‘een stel zijn’ kennen vaak niet zo veel singles meer. Na lang nadenken kom ik W. met wie ik zelf wel eens uit ben geweest, lang geleden. Geestig, welbespraakt en met een goede muzieksmaak. Ja, die zou ik wel op een briefje durven schrijven.
Op de laatste bladzijde schrijft Noor een wijsheid die ook non-singles ter harte zouden moeten nemen: ‘Zeker niet elke date leidt tot liefde, maar in ieder nieuw afspraakje zit een vorm van hoop. Je pelt je uit je joggingbroek, sleept jezelf van de bank, verlaat je eigen vertrouwde omgeving in het nu-je ‘ik’- en stapt op de fiets, op weg naar een moment in de toekomst dat nog niet heeft plaatsgevonden.’

Zelfbewust

Dat vele Nederlanders last hebben van Engelse ziekte als het gaat om spatiegebruik of het woord ‘uitvinden‘, wist ik al een tijdje, maar er is nóg een woord dat last heeft van een identiteitscrisis. En het is nota bene het woord ‘zelfbewust’. Bij zelfbewust denk ik aan Pia Dijkstra die op kalme en zelfverzekerde toon de Eerste Kamer te woord staat, of Liliane Ploumen die aanschuift bij Zondag met Lubach en daar een goed verhaal houdt, of She decides opricht. Zelfbewust is schouders naar achteren, kin een tikje naar de zon gericht en weten dat je heel wat waard bent.
Maar onlangs kwam ik de volgende zin tegen: ‘(…) schuchtere zelfbewuste glimlachjes over die hopeloos geforceerde poses.’
Schuchter en zelfbewust hebben een tegengestelde betekenis, dus de zin klopt niet of is op z’n minst nogal verwarrend. Wat de auteur hier volgens mij bedoeld heeft is ‘ongemakkelijke’ of ‘gegeneerde’, de Nederlandse vertaling van self conscious. Maar in plaats daarvan is gekozen voor een Nederlands woord dat de letterlijke vertaling lijkt van self conscious, maar een andere betekenis heeft. Het is niet de eerste keer dat ik het tegenkom, tijdens een uitzending van College Tour hoorde ik het Anouk zeggen. Ik vond het toen ook al heel verwarrend want ik was ervan overtuigd dat ze met haar ‘zelfbewust’ niet ‘zelfverzekerd’ bedoelde.
Maar de geciteerde zin is niet van Anouk -iemand die een groot deel van haar tijd in het Engels teksten schrijft of zingt-, dit is Hanna Bervoets.
Toch niet de minste als het om taal gaat. Maar met dit woord slaat ze de plank toch behoorlijk mis. Geen idee of ze zich daar zelf bewust van is.