Feeds:
Berichten
Reacties

Kun je een mooi boek schrijven over een heel lelijk onderwerp? Als je Inge Schilperoord heet in ieder geval wel. Schilperoord is forensisch psycholoog in het Pieter Baan Centrum en schreef een bewonderenswaardig debuut.

Jonathan wordt wegens gebrek aan bewijs vrijgesproken en gaat dus niet naar de tbs-kliniek, zoals hij had verwacht, maar vanuit de gevangenis naar huis. Terug naar zijn moeder, en de hond, waar hij weer elke dag kookt en schoonmaakt en daarna bij de koffie een kaartje legt met zijn moeder.
Wat er precies gebeurd is en waar Johan van beschuldigd is wordt mondjesmaat een beetje -maar nooit helemaal- duidelijk. Maar dat het iets was met een meisje en dat hij zelf ook wel weet dat het niet helemaal goed was, dat is duidelijk. Als blijkt dat zijn moeder een nieuw buurmeisje heeft doet hij ook zijn uiterste best om zo min mogelijk met haar te maken te krijgen. Hij concentreert zich op de oefeningen die hij van de behandelaar in de gevangenis heeft gekregen in de hoop dat hij, als hij ze allemaal gedaan heeft, genezen zal zijn.
Intussen drukt de zomer zwaar op Jonathan en op de astma van zijn moeder. De beklemming van de warmte, van het kleinburgerlijke leven in het vissersdorp en van het leven zonder vrienden is voelbaar.
Voordat ik het boek las dacht ik dat de titel een verhaspeling van ‘huidmond’ was, maar een muidhond blijkt een vis te zijn. Een vis waarvan vroeger gedacht werd dat hij geneeskrachtige gaven had. Als Jonathan een gewond en ondervoed exemplaar mee naar huis neemt hoopt hij wellicht dat de vis hem ook kan helpen, maar het zorgt er alleen maar voor dat het buurmeisje, een dierenliefhebber, niet bij hem weg te slaan is.

Voor mij was het een primeur: een boek lezen dat dezelfde titel heeft als een populaire podcast. (Van) de podcast had ik nog nooit gehoord maar als geschiedenisliefhebber sprak de titel me gelijk aan. In het verleden ging geschiedenis vaak over jaartallen, veldslagen en staatshoofden. Waarbij de de invloed van vrouwen vakkundig onder het tapijt geschoven is. Gelukkig verschijnen er steeds meer boeken waarin het leven van mensen uit die tijd centraal staat en steeds meer historici trekken de vergeten vrouwen onder het tapijt vandaan.
‘Hardcore history’ is niet zo’n boek. In de meeste hoofdstukken (met vele voetnoten aan de onderkant van de pagina) staan veldslagen en oorlogen centraal. Het romeinse leger, de atoombommen die op Japan zijn gegooid, ze worden uitgebreid besproken in dit boek. Super-Amerikaans en voor mij niet echt ‘meeslepend’ te noemen.
Alleen hoofdstuk 6 wist me enorm te boeien. ‘Pandemie als proloog?’ luidde de titel. Niet alleen gaat juist dat hoofdstuk meer dan andere over het leven van ‘gewone mensen’, het is ineens ook enorm actueel. Carlin beschrijft de geschiedenis van de pandemie: van de pest en de pokken naar de Spaanse griep. ‘Ziekte is altijd de vaste metgezel van de mens geweest: vanaf het moment dat mensen archieven bij gingen bijgehouden [sic], verschijnen er vermeldingen van epidemieën en plagen.’
Hij vergeet er even bij te vermelden dat deze ziekten de mensheid slechts plagen sinds het moment dat ze dieren zijn gaan houden, maar verder is het een leerzaam -en vreemd genoeg- herkenbaar hoofdstuk. We bevinden ons op een uniek moment in de moderne geschiedenis waarin we ons in kunnen leven in onze voorouders die wegens dreiging van de pest of een andere ziekte wekenlang hun familie niet zagen.
Wij hebben het voordeel dat we hen kunnen bellen (of een podcast kunnen luisteren) terwijl we wachten tot het weer veilig is.

Er gaat een plaatje rond op Facebook waarin wordt aangespoord om de kleine zelfstandige te steunen in deze tijd. Want ‘de supermarkten redden het wel’. Op zich een goed uitgangspunt, maar er is nogal iets mis met het lijstje. Een vriendin zei al dat het wel heel veel contactmomenten zijn als je naar de bakken én de groenteboer én de slager moet.
Geldig punt. Maar mijn grootste bezwaar is het feit dat het laatstgenoemde bovenaan stond: koop je vlees bij de slager.
facepalm emoji.
Zijn we na twee weken binnen zitten al collectief vergeten waaròm we binnen zitten? Ja, omdat er een virus heerst. En waaròm heerst er een virus? Omdat mensen dieren eten. Omdat mensen dieren op elkaar proppen zodat allerlei ziekten welig kunnen tieren. Het was de oorzaak van de SARS uitbraak, van de Q-koorts, de Mexicaanse (of varkens-) griep, van AIDS, de gekke-koeien-ziekte en zelfs van ordinaire griep en verkoudheid: het houden en eten van dieren.
Het corona-virus is vermoedelijk overgegaan op mensen na het eten van vleermuizen. Zeker is in ieder geval dat het is ontstaan op een markt in Wuhan waar diverse wilde dieren (levend en dood) bij elkaar werden gehouden en die waren bestemd voor ‘consumptie’ (moord om de vraatzucht van de mens te voeden). Deskundigen zagen dit al mijlenver aankomen, hebben gewaarschuwd, maar niemand luisterde.
En nu is het zover: de wereldwijde pandemie is gaande. En nu zou je denken dat we ons lesje geleerd hebben, maar nee. Er wordt opgeroepen om ‘ons vlees’ bij de slager te kopen. In supermarkten zijn de vleesschappen leeg terwijl vegetariërs en veganisten hun wagentje nog probleemloos vol kunnen gooien met Vivera shoarma en Bewond Meet burgers. Intussen luidt de partij voor de dieren de noodklok omdat het steeds moeilijker wordt voor slachterijen om aan de vraag te voldoen (lees: aan de lijkenlust te voldoen). En wat krijg je dan? Sneller werken is minder zorgvuldig werken en voordat je het weet gaan er weer mensen dood aan een virus of gewoon aan besmet vlees.
En dan zou je misschien denken ‘ja maar het is mijn keuze om vlees te eten’. Maar er gaan ook veganisten dood aan Corona. En er sterven in Nederland 650 miljoen dieren per jaar voor de lijkenlust van de mens. Dat moet anders. Dus ja, steun je lokale ondernemer, maar laat de slagerij links liggen. Tenzij het de Vegetarische Slager is.

Ter gelegenheid van de 70e verjaardag van de Canadese auteur Margaret Atwood werd een aantal van haar romans in een speciale editie uitgegeven. Edities waar elke bibliofiel van gaat kwijlen. Ze zijn niet gemakkelijk verkrijgbaar (soms betaal je voor een tweedehands exemplaar meer dan € 70,-) maar zo af en toe vind je er één.
Zo vond ik ‘Surfacing’, de tweede roman van Atwood (haar debuut was The Edible Woman) en zeker niet de meest lijvige van haar werken. In Surfacing gaan twee stellen op een road trip naar het platteland waar de vader van de vrouwelijke (en veelzeggend naamloze) hoofdpersoon woont-en verdwenen is. Onderweg willen de mannen steeds dingen filmen voor een project dat ze ‘Random Samples’ noemen. De vrouwen mogen -of moeten- soms figureren.
Gedurende de roman raakt de hoofdpersoon meer en meer overspoeld door haar jeugdherinneringen die ze in armoede en sociale isolatie doorbracht als Engels-sprekend kind in het overwegend Franstalige Quebeck. De man met wie ze nu reist is niet haar eerste partner, ze is eerder getrouwd geweest en heeft uit die relatie ook een kind waar ze niet over spreekt. De angst om opnieuw zwanger te worden is dwingend aanwezig.
‘Surfacing’ is niet de meest toegankelijke van Atwoods romans, maar ik vond het zelf stukken beter dan ‘On the road’ dat een gelijksoortige structuur kent. De gedachten en problemen van de hoofdpersoon deden me denken aan ‘The Bell Jar’ en ik zou het ook zeker aanraden aan lezers die geïnteresseerd zijn in feministische literatuur in het algemeen en het werk van Atwood in het bijzonder.