Feeds:
Berichten
Reacties

Sylvanian Family

De jongste dochter van vriendin R. is deze week 4 geworden. Ze gaat nu naar school (tot haar vreugde) en wil voor haar verjaardag een My Little Pony taart die mamma fijn mag gaan bakken.
‘Ik heb bedacht dat ze in een kasteel wonen en dan prop ik er een paar van die pony’s op, klaar. Alleen dat haar… Dat kroest zo enorm.’
Niet dat er iets mis is met kroeshaar, maar ik kan me voorstellen dat het een beetje onhandig is als je die beesten in een taart wil proppen.
‘Maar ze hebben toch heel glad haar? Die van mij vroeger hadden heel glad haar. En als ik het ging wassen onder de douche was het daarna heel snel weer droog.’
‘De My Little Ponies van nu zijn een beetje anders’, zei R.
En dat was een beetje een understatement, zag ik op de website van de blauwe internetgigant. De My Little Ponies in de jaren ’80 leken, afgezien van hun kleur en het feit dat ze van plastic waren, nog behoorlijk op een pony. Zo’n robuuste, die ook een kar kon trekken en door de modder kon ploegen. En als je ‘m dan afborstelde zag je pas dat er een regenboog op z’n bil stond. Of een softijsje. Maar de ponies die nu te koop zijn, zijn een stuk hysterischer. En anorectischer. En dat terwijl ik dus dacht dat er tegenwoordig wat meer waardering was voor ‘een dikke bil’.
En ze hebben dus kroeshaar. Heel weelderig kroeshaar. Tja. Ik zou haast zeggen ‘vroeger was alles beter’, maar die zeurkous wil ik niet zijn.
‘Wat wil ze, van My Little Pony?’, app ik vriendin.
‘Oh, daar heeft ze al zoveel van. Weet je wat ze laatst bij een vriendinnetje leuk vond? Sylvanian Family.’
Ik denk gelijk aan een heel gezin met vampiers, maar dat zou dan Trans-Sylvanian family moeten heten. Wat R. bedoelt herken ik na een zoekopdracht gelijk: ‘Óh! Dat had ik vroeger ook!’
En déze figuren vind ik nu nog net zo leuk. En wat is er veel keuze…. Een familie bevers, dassen, koala’s, schapen, bijbehorende huizen en caravans (blijkbaar bestaan er in de dierenwereld ook families met een sleurhut en zijn dat geen slakken).
Ik wil ze allemaal. Eén de egel in een auto, én het babykonijn met een piano en de moeder kat op de fiets met brood in haar mand en een kitten in het zitje. En nu maar hopen dat ik na afgifte van het cadeau zelf ook mee mag spelen… 

Advertenties

John Green, auteur van onder meer The Fault in our stars, is een gevestigde naam in het Young Adult-genre. Samen met zijn broer Hank vormt hij het duo Vlogbrothers: ze hebben een eigen YouTube-kanaal waarop ze goedbekeken filmpjes plaatsen.
En nu is er dan ook het eerste boek van die andere ‘brother’: ‘Een zeer opmerkelijk verschijnsel (An absolutely remarkable thing). En wie verwacht dat het een makkelijk leesbaar en vermakelijk liefdesverhaal is in de stijl van zijn broer, die komt bedrogen uit. Of compleet van zijn sokken geblazen. Of gewoon aangenaam verrast.
De 23-jarige April May ontdekt op een avond een gigantisch beeld dat op een druk punt in Manhattan staat maar door bijna iedereen genegeerd wordt. Ze belt haar beste vriend, een enthousiast vlogger, en samen maken ze een filmpje waarin April met haar kunstopleiding-achtergrond een aantal interpretaties geeft van het kunstwerk (dat op een gigantische Transformer lijk) en hem liefkozend Carl noemt.
Als ze de volgende ochtend wakker wordt staat haar telefoon vol met berichten: niet alleen is het filmpje viraal gegaan, ook blijkt dat er in meerdere grote steden over de hele wereld ‘Carls’ zijn neergezet.
Het leven April May en haar vriend Andy verandert ingrijpend. Hoe ga je om met instant-roem als je begin 20 bent? Hoe weet je wie van je nieuwe vrienden je kunt vertrouwen en hoe vreemd is het als je een ‘merk’ bent geworden en waar houdt het merk op en begin je zelf weer?
‘Een zeer opmerkelijk verschijnsel’ is niet alleen een zeer spannend en origineel boek, het behandelt ook een zeer actueel thema: hoe reageer je op ‘een vreemd verschijnsel’ (lees: een ‘vreemde’) die plotseling in je stad is terechtgekomen? Ga je uit van slechte bedoelingen en reageer je met wantrouwen of zie je het als een aanleiding om samen te werken in een missie om de ‘vreemde’ te helpen?
Qua stijl, subtiele humor en de hoofdpersoon doet ‘Een zeer opmerkelijk verschijnsel’ denken aan het succesvolle ‘The Circle’ van Dave Eggers en het is een aanrader voor iedereen die van lichtvoetige sci-fi en spannende verhalen houdt. 

We’re doing, like…

Some weeks ago the husband and I were at Alcatraz (just visiting, don’t worry), you know, the original Azkaban.
The cells in the segregation unit were a popular spot for selfies. I saw a young couple waving their mobile phones at each other and said to them ‘I can take a picture of the two of you, if you like’.
But she said ‘oh, no thanks, we are doing like boomerangs’.
They were ‘doing’ as if they are a wooden throwing object used by aborigines for hunting purposes? Probably not, but I decided to just nod and say ‘ah, ok’.
I turned to the husband and told him I just had a verbal interaction with a youngster and it had left me baffled. He explained that a boomerang is a short film that keeps on playing on a loop. I guessed that the perpetual nature of said film caused it to be called ‘boomerang’.
‘But they said they were doing ‘like’ boomerangs. Were they doing something similar that has a different name or were they just pretending to make boomerangs but in fact just liked walking in and out of that cell whilst waving a mobile in each other’s faces?’
‘No, I guess ‘like’ is redundant in this sentence. Like ‘zeg maar’ (just say) in Dutch.’
Right. Like only more silly and confusing. 

Voor mijn meest recente blogpost voor EcoGoodies dook ik wat dieper in de vaatwasser. En wat ik te weten kwam stemde mij vrolijk. Je leest het hier.

De mevrouw van de winkel

Jaren geleden werkten mijn moeder en ik allebei in een winkel in de Haarlemse binnenstad. Allebei in een andere winkel, maar wel dichtbij genoeg om tijdens de lunchpauzes of als het heel stil was even bij elkaar te komen buurten en ‘the usual suspects’ te bespreken.
Een telkens terugkerend thema was het ‘die mevrouw-verhaal’. Je kent ze wel: ouders die te belabberd zijn om hun kind op te voeden en dan maar zeggen dat ze ergens vanaf moeten blijven ‘omdat de mevrouw van de winkel anders boos wordt’. Laat me er lekker buiten en voed je kind gewoon op, was ons standpunt. Mijn moeder vond het net zo stom als dreigen met ‘anders geeft Sinterklaas je de roe’.
Ik was al jarenlang ‘die mevrouw’ niet meer, maar een paar weken geleden werd ik weer eens ongevraagd in die rol geduwd. Ik stond bij de toko op mijn beurt te wachten terwijl een vrouw het doen van haar bestelling afwisselde met het zoeken van haar kleinkind (nee, dat schoot niet lekker op). Toen ze ‘m uiteindelijk had waar ze hem hebben wilde (in het zicht) ging hij op de vloer dweilen en met een doosje over de vloer heen en weer bewegen alsof het een autootje was. Maar dat begon blijkbaar al snel te vervelen want hij schoof het doosje een eind van zich af waardoor het middenin het gangpad kwam te liggen.
Toen de vrouw dat eindelijk opmerkte zei ze dat hij het op moest pakken ‘anders gaat die mevrouw erop staan’.
Dat leek me nogal stug aangezien ik A. allang gezien had wat er was gebeurd en B. ik toch al een minuut of 10 stilstond. Daarnaast vond ik het ook een nogal suffe opmerking want alles wat een verveeld (en vervelend) kind dan hoort is: ‘erop staan’.
Wat inderdaad nog geen 2 minuten later gebeurde: het jongetje stond met beide voeten op het doosje te balanceren en deze mevrouw dacht ‘ik bemoei me hier lekker niet mee, je zoekt het maar uit’.
Toen oma het eindelijk-tussen het inpakken van de boodschappen in- doorhad moest hij het doosje aan haar geven want anders gingen de balletjes misschien terug en konden ze er niet meer mee spelen (hè jammer, en hij had het nog wel zo verdiend). Het doosje ging in de tas, het kind begon Balletjes! BALLETJES! BALLETJES te blèren en gaf uiteindelijk zijn oma een mep. En al die tijd stond de eigenaresse van de toko geduldig te wachten met het wisselgeld in haar handen en heb ik mijn zwarte band eyerolling gehaald. 

Nadat ik in een artikel had gelezen dat ‘Washington Black’, de derde roman van de Canadese auteur Esi Edugyan op de shortlist van de Man Booker Prize 2018 stond, zag ik ‘m in diverse boekhandels liggen: een omslag dat aan de klassieke romans van Jules Verne doet denken, de titel en rug omkranst door gouden wolken.
Goud is het niet geworden, dat ging naar Milk man, maar dat wil niet zeggen dat het goud voorbarig was. ‘Washington Black’ is namelijk een sociaal bewogen avonturenroman met een aantal zeer aansprekende karakters (helaas wel voornamelijk mannelijke karakters, de enkele vrouw die erin voorkomt is, hoe ‘off beat’ ook, slechts een bijfiguur).
Als de plantage waarop de jonge Washington Black woont en werkt van eigenaar wisselt, voelt hij al snel aan dat dit voor hem geen verbetering zal betekenen. De nieuwe ‘master’ is een kille man met een voorliefde voor gruwelijke lijfstraffen. Maar dan komt zijn broer aan op de plantage en kiest Washington uit als persoonlijke assistent. Aanvankelijk uitgekozen om zijn tengere en gedrongen postuur, blijkt Washington een talent te bezitten dat hem ver zal brengen. Ver verwijderd van de plantage.
Zo ver verwijderd dat hij uiteindelijk zelfs mijn eigen stad aandoet. Wel jammer dat een ander personage dan zegt: ‘(…) and yet here we find ourselves in Amsterdam’ (insert eyeroll here).
Absolute aanrader voor de liefhebbers van The Luminaries, The signature of all things en Twelve years a slave

Fluent American

One of the most challenging things about spending some time in the United States, is communicating with its people. Some of them don’t speak very good English.
For example, I was having dinner on the terrace of a Mexican restaurant in a small city in Silicon Valley. After drinking a bottle of Voss water (another challenge: tap water tastes either of swimming pool or has a medicinal aftertaste) I stood up and asked the waitress where I could find the toilets. She looked at me with a puzzled expression on her face.
I was tempted to elaborate: ‘You know, the loo, the bog, the john, the crapper…?’ But I didn’t think it would help very much. So I just waited for her to connect the dots. ‘You mean the restroom?’
Well no, I don’t need a rest, I have just been sitting on my arse drinking water in the Californian sunshine. What I need is a wee. Or do I just look a lot more jetlagged than I thought I did?
But I decided to just nod. After all, in Canada they call it the washrooms. Which makes more sense then restroom, but still. If someone told me they wanted to wash their hands I would give them hand sanitizer, not point them to the privy (the loo, the bog, etc.).
When I went in again after our meal I was tempted to ask the question again, just to mess with her (petty, I know, and I didn’t). But this time I would do it in Spanish: ¿Dónde están los servicios por favor? It was a Mexican restaurant after all. But I don’t think it would have made much of a difference.