Feeds:
Berichten
Reacties

Janet

In haar boek “Asperger’s on the inside’ schrijft Michelle Vines dat ze van mening dat elke Aspie een knop in huis zou moeten hebben waar NT (afkorting voor neurotypical/neuroptipisch) op staat. Als je daarop drukt komt er een persoon zonder Asperger tevoorschijn die als een soort persoonlijk assistent papierwerk en andere rompslomp voor je regelt en met een tweede druk op de knop ook weer verdwijnt.
In Michelles fantasie voert die persoon haar ook druiven en waait haar koelte toe terwijl ze op een deckchair zit, maar dat hoeft van mij dan weer niet zo nodig (of misschien…hangt van de persoon af). Maar het lijkt me wel heerlijk als iemand alle vermoeiende gesprekken met instanties en sowieso met alle ‘computer says no’-mensen afhandelt, of boodschappen voor me doet op dagen dat ik al overprikkeld ben voordat ik überhaupt in de stad ben.
Een soort Janet uit The Good Place, eigenlijk. Ik ben gek op Janet.
Janet heeft zo’n beetje altijd dezelfde beleefd glimlachende uitdrukking op haar gezicht, ze weet alles, na een update trakteerde ze mensen op ‘fun facts‘ (ik ben dol op fun facts), ze duikt ineens op als je haar naam zegt én ze kan van alles voor je regelen. What’s not to like?
Janet is géén robot, maar meer een anthropomorphized vessel of knowledge, en in ieder geval de ideale persoonlijk assistent. Helaas heb ik (nog) geen Janet, dus moet ik vermoeiende telefoongesprekken zelf voeren (daarover later meer) en kan ik haar niet naar de buren sturen om daar lawaai-dingen als fluitjes, boormachines en rolschaatsen te laten ontvreemden (het is maar een gedachte…).
Wat we sinds kort wél hebben is een Google Home, maar dat haalt het niet bij Janet. Voor zover ik weet kan het ook niet veel meer dan op verzoek Netflix-series voor je afspelen (waaronder The Good Place). Maar het verstaat geen correct Engels.
‘Hey Google, may we watch Lucifer, please?
‘, vroeg ik.
I’m not sure how to help with that yet’, zei ze.
Nou, door het af te spelen, dunkt me.
De mijnheer deed ’t op z’n Americano: ‘Hey Google, can we watch Lucifer?’
‘Sure, playing Lucifer on Netflix.’
Maar dat is incorrect, hoe weet ze nou of wij dat kúnnen? Misschien zijn we wel blind, of zitten we in een andere kamer dan de tv. Dit is onjuist Engels.
Hopelijk volgt er ooit een update waardoor Google grammaticaal correct Engels verstaat én fun facts gaat bezigen. Tot die tijd weet ik een fact voor Google: ‘I am by no means as good as Janet’. 

Advertenties

Dat een boek een ‘Number One Bestseller’ is, dat zegt me meestal niet zoveel. Hetzelfde kan namelijk gezegd worden voor 50 tinten misbruik, biografieën van voetballers met een naamsafkorting als titel en die serie misdaadromans met kleuterrijmpjes als titel. En die vallen voor mij allemaal in dezelfde categorie: papierverspilling.
Maar de titel ‘The Secret Life of Bees’ intrigeerde me. Bijen hebben sowieso een heel interessant leven, of in ieder geval, de zwerm zit interessant in elkaar, en het omslag van de roman van Sue Monk Kidd sprak me ook aan. Dit waagde ik me aan iets wat ‘de massa’ heeft verslonden.
En ik moet zeggen: voor één keer heeft de massa gelijk. ‘The Secret Life of Bees’ is een feelgood-roman die ik iedereen die ‘The Help’ mooi vond aan zou raden. Hoofdpersoon is Lily, die aan het einde van de roman een jaar of 15 is. Ze groeit op in South Carolina, zonder moeder maar met een bullebak van een vader. Gelukkig heeft ze een lieve nanny, Rosaleen, die tot aan het overlijden van Lily’s moeder medewerkster was op de boerderij van T Ray (Lily’s ‘vader’). Als hij Lily vertelt dat zijzelf verantwoordelijk is voor de dood van haar moeder én Rosaleen in de problemen komt met de politie, lopen Lily en Rosaleen weg van huis.
Het is 1964, dankzij de Civil Rights Act vinden er grote veranderingen plaats in het zuiden van de Verenigde Staten. Niet minder groot zijn de veranderingen in het leven van Lily als ze een nieuw ‘thuis’ vindt. Een grotere tegenstelling met het huis waarin ze één tirannieke ouder had is haast niet denkbaar. 


Mijn meest recente column voor Dierenpraktijken lees je hier: 2018-5-21_02511

Koffie

Vriendin S. zit een poosje om medische redenen in een kliniek (nee, niet om af te kicken), en dat lijkt mij tot dáár aan toe, maar ze zit daar met andere mensen. En dat lijkt mij dus de hel, want die mensen kies je niet zelf. En al zijn ze nog zo aardig, ik zou dat heel snel zat zijn. Ik werk niet voor niets met alleen een hond als collega.
Gelukkig is vriendin S. een stuk socialer dan ik en vindt ze de meeste mensen ‘gezellig’. En dat is maar goed ook want ze zit er best lang. Helaas is ze het inmiddels goed zat want er is iemand (ja, het is een man), die weigert om zijn deel van de huishoudelijke taken te doen. Het afruimen van het aanrecht is vrouwenwerk en hij bezigt zinnen als ‘Hé popje, zet eens koffie’.
‘My god, zou echt iets voor jou zijn’, appt ze.
Inderdaad, als iemand mij popje zou noemen en denkt dat ik wel koffie ga zetten omdat ik borsten heb dan verander ik in Chucky, of hoe heet die horrormarionet ook alweer.
Het doet me denken aan de tijd dat ik als bijbaantje bij een schoenenwinkel werkte en we een nieuw filiaal aan het opzetten waren. Toen kwamen er bouwvakkers uit Utrecht. Die waren in de winkel aan het klussen en ik kwam om een levering in de stelling te zetten.  
Het eerste wat ze tegen me zeiden toen ik ’s morgens binnenkwam was niet ‘goedemorgen’ of ‘hoi’ maar ‘Is er koffie?’
‘Ja’, zei ik. ‘In dat blik waar ‘koffie’’ op staat. Vervolgens heb ik een kop thee voor mezelf gezet en ben ik naar boven gegaan. Ik was 18 en wist heel goed dat ik geen universitaire opleiding volgde om iemand koffiejuffrouw te worden.
Een half uurtje later kwam mijn collega binnen en het beste mens liet zich wél voor hun karretje spannen en ging koffie zetten. Een kwartiertje later liep één van de lompe lullen het koffiezetapparaat omver waardoor de koffie in de nieuwe vloerbedekking trok. Mag je drie keer raden wie het uiteindelijk op ging ruimen (hint: ik was het niet, ik had het te druk met het uitkafferen van die minkukels).

Als ik een boek lees met meerdere hoofdpersonen waarbij het perspectief wisselt tussen beiden, heb ik eigenlijk altijd wel een voorkeur voor één van beiden. Het gebeurt zelden dat ik beide personages even interessant of sympathiek vindt. En het is nog nooit voorgekomen dat dat gedurende het lezen het geval werd. Behalve dus bij ‘Het Alice Netwerk’.
De roman begint in 1947 met het verhaal van Charlie St. Claire, een Amerikaanse met een Franse moeder die naar Europa zijn afgereisd omdat ze een ‘Probleempje’ heeft dat even ‘weggehaald’ moet worden voordat de reputatie van de 19-jarige studente naar de haaien is. Maar Claire heeft zo haar eigen redenen om met haar moeder mee te gaan naar Europa: ze wil haar nicht vinden die tijdens de Tweede Wereldoorlog verdwenen is.
Het tweede hoofdstuk speelt zich af in het Londen van 1915 waar een ogenschijnlijk verlegen maar dappere en strijdlustige typische wordt gerekruteerd voor een spionnennetwerk. Ze wordt ‘uitgezonden’ naar Lille, een stad die ernstig te lijden heeft onder de Duitse bezetting en werkt daar samen met de beroemde spionne Louise de Bettignes (die echt bestaan heeft).

Ik moest eerst wat wennen aan de schrijfstijl, de auteur maakt soms dingen expliciet die ik zelf al ingevuld had, zoals: ‘Ik had ook een uitbundige reiskostuum aan, maar ik verzoop in al die lagen stof. Het jaar 1947 was een hel voor kleine, tengere meisjes zoals ik die niet het juiste figuur hadden voor de New Look. Het jaar 1947 was trouwens ook een hel voor meisjes die liever een wiskundeboek lazen dan de Vogue, liever naar Edith Piaf luisterden dan naar Artie Shaw en die geen trouwring droegen, maar wel een dikkere buik begonnen te krijgen.
En die dingen golden allemaal voor mij, Charlie St. Clair.’
Tja, die laatste zin lijkt mij volkomen overbodig, voor wie zouden ze anders moeten gelden? Vooral omdat het een bladzijde eerder ook al ging over hoe de door Christian Dior gedicteerde mode ongeschikt is voor haar figuur. Een ander voorbeeld is de zinsnede ‘tactloze oude taart (…) met haar grote mond.’ Iemand die tactloos is heeft een grote mond, en dat is een zin eerder ook al gedemonstreerd, dus ‘met haar grote mond’ had hier geschrapt kunnen worden.
Deze voorbeelden zorgden ervoor dat ik af en toe uit het verhaal werd gehaald, maar lang duurde dat niet want het verhaal was goed: het verhaal van een vrouwelijke spion in de Eerste Wereldoorlog en dat van een studente met een missie. Quinn voegt daaraan nog een aantrekkelijke man (of twee), een geslepen vijand, vriendinnen én een mooie auto (geen spionnen-verhaal zonder mooie auto) aan toe en maakt daarmee ‘Het Alice Netwerk’ een mooie suspense novel. Het boek biedt een mooi tegenwicht voor al die oorlogsverhalen over dappere mannen waarin vrouwen tot bijfiguren worden gereduceerd.
Wat me het meest bij zal blijven is dat het bloedbad bij Verdun voorkomen had kunnen worden als mannen iets beter naar vrouwen hadden geluisterd: Louise de Bettignes wist namelijk, vlak voordat ze werd opgepakt, de Fransen te vertellen dat ze zich moesten voorbereiden op een aanval bij Verdun. Ze werd niet geloofd. 

 

Schuldige namen

In het verleden zijn er nog wel eens vergissingen gemaakt wat het betreft het eren van historische figuren. Er zijn standbeelden opgericht en straten, plein en tunnels vernoemd naar mannen (ja, het zijn zonder uitzondering mannen) met een op z’n minst twijfelachtige reputatie.
Zo woon ik zelf in een buurt die is vernoemd naar ‘helden’ uit de boerenoorlog. Je maakt mij niet wijs dat die allemaal ethisch gehandeld hebben. Verder zijn de Coentunnel (vernoemd naar de man die de gehele bevolking van de Banda-eilanden liet afslachten om het monopolie op de nootmuskaat-handel te hebben) en het Mauritshuis (het voormalig stadspaleis van een man die rijk is geworden door zijn aandeel in de slavenhandel) bekende voorbeelden. Moet we die namen veranderen? Misschien. Moeten we vergeten? Nee, maar we moeten niet ophemelen en verheerlijken zonder de kanttekening te plaatsen. Dus zet een bordje neer naast standbeelden van J.P. Coen en Michiel de Ruyter (ja, ook die).
In Nederland is dat al een radicaal standpunt, in het buitenland, waar men vaker te maken heeft gehad met minder verholen varianten van racisme, gaat men iets minder omzichtig te werk.
Daar worden confederate standbeelden neergehaald en wetenschappers hebben besloten om de naam ‘Asperger’ (de benaming voor hoogfunctionerend autisme die vaak gepaard gaat met een hoge intelligentie en uitmuntende verbale vaardigheden) niet meer te gebruiken.
Het blijkt namelijk dat de wetenschapper naar wie deze vorm van autisme genoemd is, Hans Asperger, nauw samenwerkte met nazi’s en ook kinderen doorverwees naar een kliniek die, om het maar te zeggen zoals het is, ‘ongewenste’ kinderen vermoordde.
Officieel is de naam al een poosje niet meer in gebruik, in de DSM 5 valt alles ‘gewoon’ onder ‘Autisme’, maar een etiket ‘autisme’ of een etiket ‘Asperger’ is nogal een verschil. Vooral omdat de alternatieve term nu ‘hoogfunctionerend autisme’ is. Geloof me, veel Aspies denken dan gelijk aan een straaljagerpiloot of een steltloper.
Maar wat zeggen we dán? Ik wil bij dezen graag twee voorstellen doen: Het syndroom van Sheldon Cooper en het syndroom van Saga Norèn. Die kennen de meesten wel en hebben geen genocide-verleden voor zover ik weet. 

Short Story =40