Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘ASS’

Ik loop met mijn hond naar de stad. Een flinke wandeling waarbij we het nuttige met het aangename combineren: we scheppen wat frisse lucht, hij is er even uit en ik ga een bagel eten met mijn vader en een paar boodschappen doen. Het miezert een beetje dus waarschijnlijk gaan we met de bus terug.
Ik vind het heel goed van mezelf dat ik ons naar buiten heb gesleept ook al is het weer niet uitnodigend. Maar ja, buiten zijn is heel gezond. Ik las het laatst nog op de kalender in de yoga studio: ook in de winter moet je naar buiten want dat is goed voor je. Maar hoe dichter ik het stadscentrum nader hoe ernstiger ik dat betwijfel: op bijna elke straathoek staat wel een sneuneus aan een kankerstok te lurken. De meesten hebben een grauwe jas aan (die ongetwijfeld ook stinkt naar een kroeg uit de jaren ’90 op zaterdagnacht) en staan onder de luifel van een winkelpand.
Ik tel er op mijn wandeling van 25 minuten zo een stuk of 7. En dat zijn dan degenen die stilstaan. Die zie je van tevoren en dan kun je een flinke hap adem nemen als je nog op veilige afstand bent en daarna in je sjaal duiken. Sommige rokers komen zonder enige vorm van gêne heel dicht bij je staan als je voor een stoplicht staat te wachten. Of ze slenteren je tegemoet.
Kunnen die mensen dat soort smerige dingen niet thuis doen?
Maar waarschijnlijk zijn ze net als mijn buren: doen het zowel thuis (en dat ruik ik dan door de muren heen) als op straat en vinden dat doodnormaal. Maar ik vraag me af hoe lang dat nog duurt (in hun geval lang denk ik want ze zijn niet zo empatisch).
Het is namelijk op de meeste plaatsen toegestaan om alcohol te gebruiken zolang je er anderen niet mee hindert want dan wordt het openbare dronkenschap. En dat is nu net het punt met roken in het openbaar: je hindert mensen ermee. Sterker nog, lang nadat die sigaret is opgebrand hinder je mensen met de misselijkmakende stank die je uitwasemt (tip: was je jas eens). Menigmaal sta ik in een winkel achter iemand van wie het haar en de kleding zo stinkt dat ik hoop dat ze niet te dicht bij mijn boodschappen staat terwijl ik mijn neus en mond met mijn handen afscherm.
Vele rokers zijn boos over terrassen die een rookverbod hebben ingevoerd maar die rokers snappen niet dat ze anderen de kanker toeblazen waar zij zelf voor kiezen. Een junk spuit tenminste alleen nog zijn eígen aderen kapot.
Even vraag ik mij af ik of voor een volgende wandeling naar de stad zo’n mondkapje moet kopen waar menig Aziaat mee rondloopt, maar dan bedenk ik me. Ik zag als tiener ooit een sticker op een verkeerslicht waarop een brommer te zien was met een slang aan de uitlaat. Het andere eind van de uitlaat was in de mond van de bestuurder van de brommer gestopt. Misschien kunnen we dat idee uitwerken voor de ‘nou-èn-is-toch-mijn-keuze-roker’. Ik zat te denken aan het model van de ouderwetse Venetiaanse pest-dokter maskers. Zo’n lange zwarte snavel. Die valt dan over neus en mond zodat alle uitgeblazen rook via het masker de neus in wordt geblazen en nooit het lichaam van de roker verlaat. Noem het een kankermasker, noem het pestmasker 2.0, noem het wat je wil maar maak het verplicht. 

Advertenties

Read Full Post »

Vakantie in Engeland voelt altijd een beetje als thuiskomen. Ze verkopen er boeken in de supermarkt (!) en sokken met flauwe woordgrappen waar ik genant hard om moet lachen. De kassameisjes lijken op een puber-versie van mezelf en als ik een grapje maak snappen ze het gewoon.
Nu hadden we ook nog eens een cottage gehuurd in één van de meest gewilde streken van het land (volgens de roddelbladen die ik in de supermarkt heb doorgebladerd willen Posh and Becks er ook een huis), dus we zagen onszelf al eeuwig blijven.
Maar we kwamen er al snel achter dat we één ding wel heel erg zouden gaan missen aan Nederland: het hondenbeleid van het gemiddelde restaurant. In menig pub is de hond gewoon welkom en staat er vaak zelfs een weckpot met koekjes op de bar, maar in andere restaurants krijg je vaak nul op het rekest met je viervoeter.
Lunchen in Oxford was daardoor makkelijker gezegd dan gedaan. Bij de Italiaanse trattoria, bij het tentje waar ze Vietnamese Pho (noedelsoep) serveerden, overal werd Roemer de deur gewezen en de mijnheer had geen zin om op het terras te gaan eten.
Tot slot probeerden we het nog even bij Wagamama (keten met gerechten uit de Aziatische keuken). De jongen bij de deur wist niet of ze honden toe lieten, hij ging het navragen terwijl het vrouwelijk personeel en masse in katzwijm viel voor onze Roemer.
De jongen kwam terug met een ‘I have a cunning plan’-gezicht. ‘Is this by any chance a service dog?’
Ik wist wat me te doen stond. ‘Yes, I have autism, he is mij assistance dog.’
‘Great! Would you like a vegetarian and vegan menu as well?’
‘Yes I would’. 

Read Full Post »

‘Een autist op jihad’, luidde onlangs de kop op de voorpagina van de weekend-editie van NRC. Verschillende redacteuren en ook een huisarts tekenden bezwaar aan tegen de kop omdat het de ‘aandoening’ vóór de persoon stelt. De persoon is geen mens meer maar een diagnose.
Ik begrijp het standpunt en ben het ook wel met hen eens dat een krant dat zo niet had moeten afdrukken (overigens is de kop niet afkomstig van de auteur van het artikel), maar ik voel me er zelf niet mee gekwetst. Waarschijnlijk komt dit omdat ik autisme niet als een diskwalificatie zie maar als een ‘anders zijn’ (en ja: op sommige terreinen beter). Ik noem mezelf ook een ‘Aspie’ of ‘autist’. Waarop de mijnheer dan pedant zegt ‘persoon met autisme’. Heeft ie geleerd van die overspannen moeder in Atypical.

Waar ik wél giftig om kan worden is het random diagnostiseren van mensen op basis van één voorval. Zo had ik laatst iemand verteld over de drie gesprekken die ik heb gehad, de vragenlijst die ik samen met mijn vader of mijn jeugd heb ingevuld en de testjes die ik heb gedaan. Op basis van die drie dingen heb ik een diagnose gekregen: geslaagd voor autisme (Asperger). Ik had verwacht dat ik op vier van de zes punten een ‘vinkje’ zou krijgen, maar het was op alle zes. Het is hier dus behoorlijk autistisch
Ik heb daarna nog even kort iets verteld over wat het voor mij betekend, maar ik wist ook niet dat ik er niet te lang op door moet gaan want de meeste mensen hebben een korte aandachtsspanne. Dus hield ik op een gegeven moment mijn mond en hoopte ik dat er wellicht een vraag zou komen, maar er kwam een ‘diagnose’. ‘Nou dan is die en die ook autistisch want toen Piet promotie kreeg was haar enige reactie ‘hoe moet dat dan met het eten’?’*
Ehm. Punt 1: heb je niet op zitten letten toen ik vertelde over de drie uren gesprekken, de tests, de vragenlijsten? Bovendien uitgevoerd door iemand die ervoor doorgeleerd heeft, niet door de kassajuffrouw van de Dekamarkt.
Punt 2: Wil je hiermee zeggen dat iedereen die een keer bot reageert autistisch is? Dan ken ik er ook nog wel een paar. Of moet ik ‘m andersom opvatten: iedereen die autistisch is reageert bot. Volgens mij valt dat wel mee, zelf reageer ik nog wel eens langzamer omdat álle mogelijke reacties door mijn hoofd gaan en ik de botste eruit filter.

Daarnaast is het opmerken van alle details vóórdat je het grotere plaatje overziet (de promotie) slechts één van de kenmerken van autisme (ik was getest op 6 punten, weet je nog?). Er zijn er nog veel meer, waaronder hyper-actieve zintuigen en in mijn geval een fenomenaal geheugen.
Het ‘zeuren over details’ en zo een domper zijn op de feestvreugde noemen ze in de DISC-persoonlijkheids-leer gewoon ‘blauw’. En ik ben dus niet blauw. Ik ben paars met een goud randje. Maar dat randje is alleen zichtbaar voor mensen met een iets langere aandachtsspanne. 

 

*het voorbeeld luidde anders, maar voor de herkenning en privacy enz. enz.

Read Full Post »

Precies op het moment dat ik de deur van de tandartspraktijk open doe, gaat mijn telefoon. Het is de assistente van de tandarts, of ik al onderweg ben, want ze lopen wat uit. Als ze me had willen bereiken voordat ik onderweg was had ze een half uur eerder moeten bellen, maar ik vind het op zich prettig om van tevoren te weten dat ik een poosje moet wachten.
Ik loop het trappenhuis van de villa waarin meerdere tandartsen aan het werk zijn in en stel me in op 20 minuten rustig een boek lezen op één van de 4 stoeltjes die op de gang staan.
Ik heb nog geen bladzijde gelezen of er komt een bakfietsmoeder met 4 kinderen de trap op lopen. Ik hoor ze lang voordat ik ze zie. De kinderen storten zich op het kleine tafeltje waarop wat speelgoed staat uitgestald. Ze beperken zich tot het speelgoed met speakers en batterijen. De moeder probeert op vol volume een gesprek te voeren met één van de kinderen. ‘WAAR IS JE TAS? JOLIJN, WAAR IS JE TAS? LIGT DIE NOG OP SCHOOL? JOLIJN???’
Intussen rammen de kinderen op de knoppen van het plastic speelgoed alsof het de Kop van Jut is. En met succes, er komt geluid uit. Dierengeluiden uit het ene stuk plastic, en schel klinkende liedjes uit een olijk kijkende vlinder. Ik pak mijn tas en zoek mijn heil een verdieping hoger. Daar staan geen stoelen, maar ik besluit om de resterende 18 minuten dan maar te blijven staan. Gelukkig heb ik een stel oordoppen in mijn tas zitten, maar die helpen geen zier, ik hoor alle ‘liedjes’ en de misthoornmoeder er dwars doorheen.
25 minuten later ben ik nog geen bladzijde opgeschoten en ook nog steeds niet aan de beurt. Maar de herrie-invasie wél, die verplaatst zich naar een behandelkamer en ik loop de trap weer af. De mand met speelgoed blijkt te zijn omgekeerd, de inhoud over de vloer verspreid, en over de vier stoelen liggen één damesjas, een Dopper, een fietssleutel en een kindervestje uitgewaaierd. Geen enkele stoel is nog leeg. Het verbaast mij niet meer dat JOLIJN! haar tas kwijt is.
Net op het moment dat ik opgelucht adem wil halen, begint een vader een verdieping beneden heel enthousiast (lees: hard) aan een boekje ‘NOU, GAAN WE EENS EVEN KIJKEN OF APEN OOK NAAR DE TANDARTS MOETEN! DENK JIJ DAT APEN NAAR DE TANDARTS MOETEN?’ (spoiler: de tandarts bezoekt de apen). En brengt een andere moeder haar kind naar het tafeltje met herriespeelgoed.
Ik zit inmiddels ruim een halfuur in het voorgeborchte van de hel en app de mijnheer dat die oordoppen geen fluit uithalen. ‘Zitten er batterijen in dat speelgoed?’, vraagt hij. Ja, die zitten er inderdaad in, maar het klepje gaat niet open zonder schroevendraaier, dat had ik al gezien.
Hij stuurt een rijtje icoontjes terug waaronder een prullenbak, een batterij en een bel met een rode streep erdoor. De volgende keer kan ik dus beter een schroevendraaier meenemen in plaats van oordopjes. Ik zit inmiddels bijna 40 minuten te wachten en denk terug aan de tandarts waar ik naartoe ging als kind: daar lag een stapeltje beduimelde Donald Ducks in de wachtkamer, en verder had je je maar koest te houden. 

 

Read Full Post »

Tijdens de tweede en derde afspraak neemt de onderzoekster een anamnestisch interview af, gebaseerd op de beschrijving van de autismespectrumstoornis in de DSM-5. Toen ik een opleiding volgde aan de PABO werkten we nog met de DSM-4, waarin PPD-NOS, Asperger en autisme nog apart beschreven werden. Maar ook toen al waren de beschrijvingen zo abstract dat ik mezelf er niet in herkende. Maar in personages of concrete voorvallen herkende ik mezelf wel degelijk.
De film Rain Man intrigeerde me mateloos. Ik herkende eigenaardigheden die ik zelf ook had in de hoofdpersoon uit ‘The curious incident of the dog in the nighttime’, zoals een afkeer voor verschillende soorten voedsel die elkaar raken op het bord (vooral als het éne zoetig is en het andere hartig) of voor één bepaalde kleur (geel, blèh). En de echtgenoot noemt me niet voor niets al jaren ‘Sheldon Cooper’. Als mensen op mijn plek gaan zitten weet ik serieus niet wat ik dan moet doen. Meestal blijf ik dan maar een beetje heen en weer lopen terwijl de mijnheer suggereert dat ik plaats kan nemen op de designerstoel die meer heeft gekost dan onze bank. Laatst dacht ik het handig geregeld te hebben: we kregen bezoek (en daar moet je dan voor opstaan en drinken in gaan schenken en dus je plaats verlaten terwijl zij er één zoeken) maar ik had zelf al thee, en dat stond dus bij mijn plekje. Maar toen ik de keuken uit kwam met twee koppen thee in mijn handen had iemand plaatsgenomen op mijn plek en doodleuk zonder te vragen mijn thee verplaatst.
Misschien moet ik maar een keer zo’n gestreept kussen aanschaffen, zo één als Sheldon heeft. In geval van nood kan ik daar dan mee gooien.
Maar het grootste ‘feest’ der herkenning was de serie Atypical. De hoofdpersoon in die serie is namelijk níet een genie ‘met eigenaardige trekjes’ die extreem netjes en georganiseerd is, maar een tiener die problemen heeft met het functioneren in de maatschappij. Een tiener met een rommelige kamer (oh, dus dat kán dus, een rommelige kamer hebben én autistisch zijn!) die last heeft van overprikkeling en moeite heeft om aansluiting te vinden bij leeftijdgenoten. Die serie was zo herkenbaar dat het bij vlagen beklemmend was.
Dát, gecombineerd met een artikel over Asperger bij vrouwen, vormde voor mij de aanleiding om een online test te doen. En daarna belde ik de huisarts maar eens. En die verwees me door.
En nu beantwoord ik vragen als ‘Krijgt u wel eens te horen dat u te weinig deelt?’ Ja
‘Vindt u feestjes vermoeiend?’ Ja
Ja
Ja.

Read Full Post »

Met onze terugkeer uit Canada waren we in één klap van de winter in de zomer terechtgekomen. Dat was handig, want onze (nieuwe!) wasmachine was stuk, en zo konden we gewoon onze zomerkleren uit de kast halen en ‘geduldig’ wachten op de reparateur. Maar na anderhalve week op mijn Toms te hebben gelopen (ik heb in Canada veel gelopen en ben van plan omdat eenmaal weer thuis vol te houden) waren mijn voeten moe en deden mijn hielen pijn.
Ik had dus nieuwe schoenen nodig. Schoenen waar ik goed op kan lopen, die niet helemaal plat zijn en een beetje steun geven. ‘Ik moet zaterdag even naar de bibliotheek en wil ook even voor schoenen kijken’, zei ik tegen de mijnheer.
‘Ok, veel plezier’, zei hij.
Maar dat was een grapje want heb superskills als het gaat om schoenen kopen. Als ze goed zijn ben ik binnen 5 minuten klaar, en ik kan in minder dan een minuut een winkel scannen op ‘ze hebben ’t of ze hebben ’t niet’. In een winkel in de Grote Houtstraat hadden ze ‘t: lichtblauwe (een kleur die ik makkelijk kan combineren) halfhoge espadrilles met sleehak (beter voor je rug dan geheel plat en toch comfortabel, ook als je met een hond door gras of zand loopt). Ik was dus ruim binnen de 5 minuten klaar, maar de mijnheer was ‘even boven gaan kijken’ bij de herenschoenen en die trof ik aan tussen een paar Adidassneakers en een paar suède Floris van Bommel schoenen. Beide paren in koningsblauw.
‘Ik weet het niet meer’, zei hij. Hij was met me eens dat twee paar schoenen in dezelfde kleur misschien niet zo’n logische keuze was. Dus wees ik op de Adidassneakers en zei: ‘Dan neem je deze in het ecru want die passen mooi bij die mosgroene jeans die je hebt en je hebt ook een olijfkleurig jasje, staan ze ook leuk bij.’
Dus gingen we met drie paar schoenen de deur uit, wel meer dan 5 minuten later, maar dat was dus niet mijn schuld.
Met twee grote tassen van de schoenenwinkel lopen we ‘ons’ kaaswinkeltje binnen. Ik wil graag een zo onrijp-mogelijk stukje zachte geitenkaas met aslaagje en de mijnheer zegt: ‘En ik wil graag iets blauws hebben.’
‘Je hebt net een paar blauwe schoenen gekocht!’, zeg ik.
De verkoopster kijkt me enigszins verschrikt aan en de mijnheer trekt een Kermitface. ‘Dat soort dingen snappen mensen niet’, legt hij me later uit. Mensen zonder superskills zijn maar ingewikkeld.

Read Full Post »

Vroeger, op de middelbare school moest ik ook al eens een Coopertest doen. Die bestond uit zo ver mogelijk lopen in 12 minuten, op de sinterbaan vlak bij school. Maar vandaag doe ik een andere Coopertest; de Sheldon Coopertest. Nee, zo heet ie niet echt, maar zo noem ik de drie gesprekken die voorafgaan aan mijn eventuele ASS-diagnose. Sheldon Cooper uit The Big Bang Theory is namelijk net zo ‘uniek’ (lastig, apart, briljant) als ik. Ongeveer.
De vragenlijst die ik van tevoren opgestuurd kreeg leek mij al test één. Zo stonden er vragen in als ‘Kunt u iets vertellen over uw moeder?’
Ik ben dan geneigd om ‘ja’ in te vullen en dan vrolijk verder te gaan met het idee dat ik dat correct heb ik gevuld. Maar ik vermoedde een ‘vraag achter de vraag’. Ze wilden waarschijnlijk dat ik iets zou schrijven. Maar wat willen ze dan weten? En hoelang moet of mag dat zijn? Als ik alles opschrijf wat ik kan vertellen ben ik niet klaar voordat ik op de afspraak moet verschijnen en ik moet de rest van het formulier ook nog invullen.
Het eerste deel van de test bestond uit tekenen. O help, dat deed ik als kind al niet voor mijn lol. Gelukkig hoefde het niet netjes. Ik moest een soort huis tekenen dat was opgedeeld in vakken, sommigen met streepjes, anderen met kruisen erin en met een aantal ‘harken’ als ‘bijgebouw’ en een wyber-vormig vlaggetje bovenop.
Ik vond het nogal een chaos, dus ik begon maar bij het vlaggetje en werkte van daaruit naar beneden. Dat was dus één Sheldon-punt want neurotypische mensen tekenen eerst dat huis en daarna de rommel erin en eromheen.
Daarna kreeg ik een serie afbeeldingen te zien waarvan ik moest vertellen wát ik zag, wat de personen op de afbeelding voelden, wat er daarvóór gebeurd was en hoe het verder zou gaan.
Dat vond ik nog best lastig want ik kon die informatie uit de meeste plaatjes niet halen. Daar had ik het met de mijnheer over in de auto terug naar huis. ‘Je bent minder morbide dan ik’, zei hij, ‘want ik was er in dat ene schilderij van overtuigd dat die ene man dood was en dat die andere zijn ogen dicht deed.’
‘Dat kón, maar dat kon je niet wéten.’
‘Ja maar dat hoefde niet.’
Oh…echt niet? Ik was ervan overtuigd dat ik moest vertellen wat ik zag, niet wat ik dácht dat er gebeurd had kúnnen zijn. Als ik wist dat ik dingen had mogen verzinnen dan had ik wel wat spannendere verhalen kunnen vertellen, vooral over dat schilderij met die gespierde boer zonder shirt en die vrouw met die stapel boeken in haar handen.
Dit doet me denken aan die keer dat ik meedeed aan een schrijfwedstrijd over de 17e eeuw waarvan de verhalen ‘echt’ moesten zijn. Dus schreef ik een verhaal over een waargebeurd akkefietje tussen twee schilders. Toen de redactie daarin iets wilde wijzigen in de trant van ‘wat nou als ze een relatie hadden’ zei ik dat dat niet kon omdat het niet waar was.
Het bleek dat ze bedoelden dat er geen draken, dino’s of teletijdmachines in de verhalen voor mochten komen. Oóóóóóóh, zeg dát dan…
Het laatste onderdeel bestond uit een vaardighedenvragenlijst. Die vond ik een béétje Asperger-man gericht in plaats van Asperger-vrouw gericht omdat het wel vroeg naar interesse in wiskunde (soms wel, soms niet, ligt eraan wie erover schrijft/vertelt) maar niet naar interesse in vreemde talen (ja, wel naar woordgrapjes). Dus bracht ik mijn tic zelf ter sprake.
‘Oh, ik heb nog vergeten om te zeggen dat ik Zweeds en Deens redelijk kan volgen en lezen zonder dat ik dat ooit geleerd heb.’
‘Ik zou haar even mailen’, zegt de mijnheer. Maar hij lacht erbij dus ik denk dat dat een grapje was.

Read Full Post »

Older Posts »