Feeds:
Berichten
Reacties

Geen sorry

Mijn man interesseert zich matig voor voetbal en we kijken sowieso nauwelijks tv-programma’s op de momenten waarop ze worden uitgezonden en al helemaal nooit naar commerciële zenders, en dan mis je een hoop…lelijkheid en domheid. Ik kom er meestal pas achter dat één of andere te bekende Nederlander weer een scheet heeft gelaten als de trending topics op Twitter dat doen vermoeden.
Zoals die keer dat René van de Gijp (een smakeloos figuur zonder enig moreel besef over wie geheel onnodig een boek is verschenen) de spot dreef met een collega. Deze collega was heel open geweest over haar transitie van man naar vrouw en van der Gijp vond het ‘geestig?’ of ‘nodig’ om vervolgens in een tv-programma te verschijnen met een lelijke pruik op en te verkondigen dat hij voortaan ‘Renate’ heette.
Het tv-programma in kwestie heet iets met voetbal. Moeten we dit dan opvatten als voetbalhumor? Voetbalhumor was toch het verstoren van de tv-interviews van je teamgenoten en een kwak shampoo deponeren op de kale bol van Kees Jansma of in de schoenen van de man of the match? Flauw, maar herkenbaar als een vorm van humor.
En vandaag stroomt twitter vol met de hashtag #sorryjohan naar aanleiding van uitspraken van een andere presentator van het voetbal als excuus voor homofobe opmerkingen-programma. Het programma had een brief gekregen van twee jongens die vroegen of het misschien iets minder kon met de homo-haat in het programma omdat veel jongens (vooral jongens die van voetbal houden) het nog steeds heel moeilijk vinden om uit de kast te komen en dat zo’n sfeer er niet aan bijdraagt. Johan Derksen vond dat onzin, die jongens moesten niet zeuren en zielig doen.
En vandaag stroomt twitter vol met de meest schrijnende verhalen. Vrouwen die niet meer welkom waren in een bruidsmodezaak toen bleek dat ze met een vrouw gingen trouwen, een jongen die van zijn fiets is geschopt omdat hij ‘gay’ fietste, mensen die zijn gepest op school of zelfs op het werk, jongeren die op straat goed om zich heen kijken voordat ze hun partner durven kussen.
En ik vind het zo erg dat bij al die tweets de voornaam van mijn opa staat. Mijn opa die 100 jaar geleden werd geboren en die, als ik op mijn 15e had gezegd ‘ik val op meisjes’ in plaats van het ‘ik val definitief op jongens’ wat ik zei, zijn schouders zou hebben opgehaald. Want hij was misschien een grote sterke man, maar vanbinnen klopte een groot hart. Zijn kinderen, zijn kleinkinderen, de kinderen van willekeurig ieder ander, die moesten gelukkig zijn.
En daarmee was hij veel meer een man van ‘onze tijd’ dan Derksen ooit worden zal. Zijn opvattingen horen niet thuis in deze eeuw. Hij is een sneu en bang mannetje dat roept dat die jongens die die brief schreven ‘karakter moeten hebben’. Maar je kwetsbaarheid durven tonen is zóveel dapperder dan alleen maar harde klappen uitdelen. 

Advertenties

Wees onzichtbaar-Murat Isik

Een aantal jaar geleden las ik ‘Verloren Grond’, het debuut van Murat Isik. Een sprookjesachtig verhaal dat me deed denken aan het beste werk van Kader Abdollah. Het verraste me dan ook niet dat zijn tweede roman ‘Wees onzichtbaar’, een groot succes werd. Eerder dit jaar kreeg hij er de Libris Literatuurprijs voor.
Net als in ‘Verloren Grond’ is de hoofdpersoon van zijn bekroonde roman een kleine, gevoelige jongen die opgroeit in onzekerheid. Metin verhuist op 5-jarige leeftijd met zijn grotere zus en zijn moeder vanuit Duitsland naar de Amsterdamse Bijlmermeer waar zijn vader (voor hem haast een onbekende man) woonruimte heeft gevonden. De lijvige roman volgt de jongste telg uit het gezin Mutlu tot aan jongvolwassenheid. Hoe houdt een zachtaardige jongen zich staande in een gezin met een agressieve narcistische klaploper als vader en een verloederende buurt waarin junks zich op elke donkere straathoek kunnen ophouden?
De stijl en sfeer van dit boek is beduidend anders dan die van ‘Verloren Grond’. Minder sprookjesachtiger dan het debuut en na de eerste paar hoofdstukken vroeg ik me af of de auteur een record ‘zo veel mogelijk beeldspraak in één alinea proppen’ wilde verbreken. Bovendien overheerste er bij mij een ‘jaha, die vader is een lul, kunnen we nu verder?’ Maar gelukkig kwam het verhaal daarna beter op gang. En net als in zijn eerste roman slaagt Isik er weer in om een personage te scheppen waar je van gaat houden.
‘Wees onzichtbaar’ is minder literair dan ‘Verloren Grond’. Het is eerder een hap uit het leven van een jongen die in de jaren ’80 in de Bijlmermeer opgroeit dan dat het een afgerond verhaal is, maar dat heeft er waarschijnlijk wel voor gezorgd dat het een breed publiek heeft aangesproken. En en passant krijg je ook een geschiedenislesje Bijlmermeer en waar het fout is gegaan mee van buurman Rolf. 

Voorpret

Tijdens de essentrics-les op maandagochtend dwalen mijn gedachten meestal af, ze zijn het van me gewend, dus ze laten me meestal maar. Deze week kwamen er Sinterklaasgedicht-zinnen bij me bovendrijven. and het flauwste soort (e beste dus). Wat gedichten schrijven betreft ben ik net mijn moeder: hoe flauwer hoe beter en ik heb er zelf de grootste lol om. Weken van tevoren al.
En dat doet me weer denken aan een van de leukste woorden uit de Nederlandse taal: voorpret. Bijna net zo leuk als binnenpret. En net zo onvertaalbaar.
Menigeen beweert dat het Nederlands niet mooi en poëtisch is, maar probeer voorpret maar eens te vertalen. Ik kan zelf zo snel niets mooiers verzinnen dan ‘the joy of anticipation’. Al snel weer een mond vol die niet zo luchtig en frivool klinkt als voorpret.
En een binnenpretje? Wat is dat dan? ‘An inner giggle’? Dat klinkt toch wel iets dichterbij het gekkenhuis dan gewoon een binnenpretje.
En wat dacht je van jeugdsentiment? Nostalgia klinkt weemoediger dan jeugdsentiment. Wat zou het dan moeten zijn? ‘Memory Bliss’? Dat klinkt wel erg zweverig voor het licht uitgelaten gevoel dat ik krijg bij het zien van een Popple of de begintune van The Flying Doctors.
Misschien moeten we het er maar gewoon op houden dat het Nederlands een aantal hele mooie onvertaalbare woorden in zijn schat heeft.

Afwassen met een komkommer

Afwassen doen wij thuis met een komkommer. Of, nou ja, met een neefje van de komkommer. Je leest er alles over in mijn nieuwe blogpost voor EcoGoodies.

Bijna elke week lees ik wel ergens een afkorting waarvan ik denk ‘waar staat dát nou weer voor?’ (toppunt van verwarring: als ik een stuk of 3 mogelijke betekenissen kan bedenken). De afgelopen week las ik een boek waarin het met regelmaat ging over ‘de 10LAD’s’
Nu weet ik wat lads zijn (gozers, jongens, gasten), maar daar ging het hier niet over. De 10LAD’s zijn the ten letters a day. Nu krijg ik best veel post, maar 10 brieven per dag? Nee. Wie krijgt -of kreeg-  er dan 10 brieven per dag? President Obama. Sterker nog, hij kreeg er nog veel meer, maar hij las tien brieven per dag.
Zijn postkamer gaf hem aan het einde van elke dag een selectie van brieven mee die hij ’s avonds las. De brieven waren een dwarsdoorsnede van de bevolking. Variatie speelde een belangrijke rol in de selectie. Brieven van vóór en tegenstanders van zijn beleid kwamen hem onder ogen, evenals een keur aan onderwerpen.
Dus ging Obama naar huis met in zijn handen een brief van een kind dat hem vertelde dat hij maar eens lekker gek moest doen en in een tie-and-dye T-shirt moest gaan voetballen op het gras voor het witte huis, een brief van een jonge vrouw die schreef dat ze er getuige van was geweest dat haar vader -een oorlogsveteraan- compleet doordraaide en met een geweer stond te zwaaien in huis, een man die schrijft dat hij dankzij Obamacare voor het eerst naar de dokter is geweest en daardoor net op tijd was om een tumor zonder blijvende schade te kunnen behandelen, een brief van een man die schrijft wat ‘don’t ask, don’t tell’ voor hem betekent.
‘Don’t ask, don’t tell’ was een regel die jarenlang gold binnen het leger: we vragen niet naar jouw seksuele voorkeur en jij praat er niet over. Die regel had als gevolg dat sommige partners niet op de ‘in geval van nood-bellen’-lijst stonden. Als hun man of vrouw gewond raakte, of erger, zouden zij daar niet van op de hoogte worden gesteld en bij begrafenissen zou hen niet de eer worden gegeven die de weduwe of weduwnaar van een militair toekomt. Een man schreef wat die onzekerheid voor hem en zijn kinderen betekende.
Obama veranderde de wet. Obama stelde het huwelijk open voor alle volwassenen. De bundel brieven en de antwoorden die de postkamer, en soms Obama zelf, stuurde geven een overzicht van 8 jaren Obama in het witte huis en het beleid dat hij voerde. De brieven geven een overzicht van de invloed die zijn beslissingen hadden op het leven van ‘de’ Amerikaan en soms beïnvloedden de brieven zijn beslissingen.
Als één ding duidelijk wordt na het lezen van deze bloemlezing van 8 jaar correspondentie, is dat Obama ervan overtuigd was dat hij er was voor de mensen, en niet andersom. Misschien mis ik dat nog wel het meest aan hem.

Traditie

‘Die’ tijd van het jaar is weer aangebroken: de tijd waarin Nederland grofweg verdeeld is in twee kampen. Het kamp dat het prima vindt dat het uiterlijk van Piet wordt aangepast zodat iedereen sinterklaasfeest kan vieren zonder nare bijsmaak te krijgen én het kamp dat schreeuwt over TRADITIE en KINDERFEEST!
Het grappige is dat onderzoek heeft uitgewezen dat hoe jonger de ondervraagde, hoe positiever tegenover het idee om het uiterlijk van Piet aan te passen. Degenen die dus schreeuwen over KINDERFEEST zijn dus het minst met kinderen bezig maar vooral met zichzelf.
Op mijn eigen tijdlijn heb ik niet zo’n last van verwarde ouderen die maar wat roepen, ik zit namelijk gezellig in een internetbubble van groenlinksige cablecutters die zich drukker maken over hun biologische moestuintje dan over het krampachtig vasthouden aan tradities.
Maar als je een kijkje neemt in nostalgische facebookgroepjes waarin (nostalgische) foto’s van de stad waarin ik woon worden gedeeld zie je daar nog menig roepende in de woestijn. Onder elke oude foto met traditionele pieten schrijven de ‘toen was het nog leuk!’ en ‘zie je wel, heeft niets met racisme te maken!’ (ik zie op de foto geen enkel bewijs). En het woord traditie valt ook menig keer. Elke foto van de intocht vormt voor hen een aanleiding om te klagen en nog een paar keer traditie te typen.
Traditie is op zich een mooi woord en klinkt als een goed idee, maar het mag niet worden gebruikt als excuus om rituelen in stand te houden die niet meer passen in de moderne maatschappij. Vroeger was het traditie dat alleen mannen van een zekere leeftijd en een zeker inkomen mochten stemmen. Palingtrekken werd als een leuk tijdverdrijf gezien. Ooit was het traditie dat je als man alleen met een vrouw mocht trouwen en vice versa. Dat vinden we nu ook achterhaald en ouderwets. Behalve in Amerika, daar gebruiken sommigen dezelfde stoplappen (argumenten zijn het namelijk niet) als de traditionele-Piet-aanhangers. ‘Het is nu eenmaal zo’, ‘zo hoort het’ en ‘ze verraden het huwelijk’.
Daar wil je toch niet mee vergeleken worden? Er zit niet veel anders op dan slikken en je aanpassen, hoe moeilijk het ook is dat sommige tradities verdwijnen. Ik vind het zelf bijvoorbeeld heel stom dat sommige winkels tegenwoordig vóór 6 december al kerstbomen in de etalage hebben staan, maar dat wil niet zeggen dat ik een bom ga leggen in Hudson’s Bay. Dat betekent alleen maar dat ik lekker boodschappen ga doen bij de HEMA, kan ik gelijk nog een rolletje roetveegpietjes-pakpapier meenemen. 

Sylvanian Family

De jongste dochter van vriendin R. is deze week 4 geworden. Ze gaat nu naar school (tot haar vreugde) en wil voor haar verjaardag een My Little Pony taart die mamma fijn mag gaan bakken.
‘Ik heb bedacht dat ze in een kasteel wonen en dan prop ik er een paar van die pony’s op, klaar. Alleen dat haar… Dat kroest zo enorm.’
Niet dat er iets mis is met kroeshaar, maar ik kan me voorstellen dat het een beetje onhandig is als je die beesten in een taart wil proppen.
‘Maar ze hebben toch heel glad haar? Die van mij vroeger hadden heel glad haar. En als ik het ging wassen onder de douche was het daarna heel snel weer droog.’
‘De My Little Ponies van nu zijn een beetje anders’, zei R.
En dat was een beetje een understatement, zag ik op de website van de blauwe internetgigant. De My Little Ponies in de jaren ’80 leken, afgezien van hun kleur en het feit dat ze van plastic waren, nog behoorlijk op een pony. Zo’n robuuste, die ook een kar kon trekken en door de modder kon ploegen. En als je ‘m dan afborstelde zag je pas dat er een regenboog op z’n bil stond. Of een softijsje. Maar de ponies die nu te koop zijn, zijn een stuk hysterischer. En anorectischer. En dat terwijl ik dus dacht dat er tegenwoordig wat meer waardering was voor ‘een dikke bil’.
En ze hebben dus kroeshaar. Heel weelderig kroeshaar. Tja. Ik zou haast zeggen ‘vroeger was alles beter’, maar die zeurkous wil ik niet zijn.
‘Wat wil ze, van My Little Pony?’, app ik vriendin.
‘Oh, daar heeft ze al zoveel van. Weet je wat ze laatst bij een vriendinnetje leuk vond? Sylvanian Family.’
Ik denk gelijk aan een heel gezin met vampiers, maar dat zou dan Trans-Sylvanian family moeten heten. Wat R. bedoelt herken ik na een zoekopdracht gelijk: ‘Óh! Dat had ik vroeger ook!’
En déze figuren vind ik nu nog net zo leuk. En wat is er veel keuze…. Een familie bevers, dassen, koala’s, schapen, bijbehorende huizen en caravans (blijkbaar bestaan er in de dierenwereld ook families met een sleurhut en zijn dat geen slakken).
Ik wil ze allemaal. Eén de egel in een auto, én het babykonijn met een piano en de moeder kat op de fiets met brood in haar mand en een kitten in het zitje. En nu maar hopen dat ik na afgifte van het cadeau zelf ook mee mag spelen…