Feeds:
Berichten
Reacties

Ik groeide op in de jaren ’80 dus voor mij stond de naam ‘Biafra’ synoniem aan ‘vreselijke hongersnood’. Maar als je me zou vragen waar Biafra dan ligt zou ik ook niet verder zijn gekomen dan …in Afrika?
Nu ik ‘Half of a yellow sun’ van Chimamanda Ngozi Adichie heb gelezen weet ik gelukkig iets meer over Biafra dan alleen ‘honger’ en ‘Afrika’. Biafra is een regio in Nigeria die zich in 1967 onafhankelijk verklaarde, wat leidde tot een burgeroorlog in het West-Afrikaanse land.
Deze strijd vormt de achtergrond (en soms de voorgrond) van de tweede roman van de Nigeriaanse auteur Chimamanda Ngozi Adichie. De roman speelt zich af in de vroege jaren ’60 en de late jaren ’60, omdat het verhaal niet geheel chronologisch verteld is (het gaat van vroege jaren ’60 met een sprongetje naar de late om later terug te keren naar het punt waar ze eerder de vroege jaren ’60 had verlaten) vallen sommige dingen later op hun plek of komen in een ander daglicht te staan, iets waar ik als lezer erg van houdt. Hoofdpersonen van de roman zijn de mooie Olanna, die intrekt bij haar vriend, een universitair docent. Zijn huishouder, de jonge Ugwu, vindt dat eerst maar niets maar is al snel was in haar handen. De zus van Olanna, Kainene, die qua uiterlijk haar tegenpool is, maakt kennis met de Britse Richard die een boek wil schrijven over een in Nigeria gevonden kunstvoorwerp, de Igbo-Ukwu roped pot. Met het boek wil het niet erg vlotten maar hij leert het land en Kainene wel steeds beter kennen. Hij ziet in dat het koloniale verleden de verschillen tussen de diverse stammen, die samen het door witten bedachte en gestichte Nigeria moeten vormen, op scherp hebben gezet en de oorzaak zijn van veel onderling wantrouwen. De auteur ontving in 2007 voor deze roman de Baileys Women’s Prize for Fiction. De roman doet qua sfeer en opbouw denken aan ‘A history of Seven Killings’ van Marlon James, maar leest prettiger weg. Toch zou ik het niet iedereen aanraden (wat ik met haar debuutroman ‘Purple Hibiscus’ wel zou doen), maar als je geïnteresseerd bent in (recente) geschiedenis en niet schuw bent van een portie oorlogsgeweld, dan kun je met een gerust hart aan dit literaire meesterwerk beginnen.

Advertenties

In een andere wereld

Jullie verwachten natuurlijk een stukje van mij over hoeveel schijt ik heb aan die uil van Minerva, of over het woord ‘Boreaal’ of dat ik paralellen trek tussen de leraren-kliklijn en ‘1984’ of iets dystopisch van Margaret Atwood. Want het gros van het electoraat weet toch niet wat ‘boreaal’ betekent of wie Minerva was, en degenen die het wèl weten en tòch op een fascist gestemd hebben kan het blijkbaar niet schelen.
Dus neem ik deze vrijdag even vrij om in een andere wereld te duiken. Het is namelijk boekenweek en ik weet niet hoe lang zoiets nog mag, een viering van de literatuur en het vrije woord, dus ik neem het er maar even van. Uit protest over het truttige thema van dit jaar (de moeder de vrouw) en de daarbij uitgekozen auteurs (louter mannen, al heb ik niets tegen de auteurs zelf, volgens mij zijn het hele aardige en misschien zelfs feministische mannen) heb ik natuurlijk wel een roman van een vrouwelijke auteur gekocht.
Zo ben ik dan ook wel weer, van sommige dingen kun je niet echt vrij nemen.

Jaren geleden las ik mijn eerste roman van Julian Barnes en kort nadat mijn moeder overleed was zijn non-fictie essay ‘Levels of life’ één van de boeken die me de meeste troost bood. Ik had dan ook echt zin in ‘The only story’, geen lijvige roman, maar Barnes heeft niet veel papier nodig om écht te raken.
Hoofdpersoon Paul kijkt terug op het begin van zijn eerste grote liefde: in de zomer waarin hij 19 was werd hij, op aandringen van zijn ouders, lid van een tennisclub waar hij voor de mixed doubble werd gekoppeld aan Susan. Zij is in de veertig, moeder van twee dochters die ouder zijn dan Paul, en het zijn de jaren ’60. Geleidelijk aan wordt Paul een soort vaste huisgast bij Susan en haar gezin, bij tijd en wijle tot irritatie van haar man.
In de loop van de tijd verandert hun verhouding, de één zorgt voor de ander in plaats van een situatie van gelijkwaardigheid.
In eerdere boeken van Julian Barnes heeft hij bewezen er een meester in te zijn relaties te beschrijven, en na de eerste bladzijden leek ‘The only story’ ook weer een boek in die categorie te zijn, maar helaas zakte het verhaal na een poosje in. ‘The only story’ voldeed daardoor niet aan mijn (misschien wel te hooggespannen) verwachtingen.

#Doeslief

Ik had de hashtag via Twitter wel eens langs zien komen, maar ik wist niet waar ie vandaan kwam. Totdat ik ‘m afgelopen woensdag tijdens de bioscoopreclame voorbij zag komen: #doeslief (een samentrekking van ‘doe eens lief’). Maar het gaat niet eens over lief doen, het gaat over sociaal geaccepteerde omgangsvormen.
Blijkbaar moet ons via reclame duidelijk worden gemaakt dat het niet ‘lief’ is om trambestuurders te bespugen en kassamedewerkers te negeren.
Dat laatste is niets nieuws hoor. Toen ik 17 was werkte ik in een vrij bekend warenhuis en als ik daar achter de kassa zat, begroette ik iedereen met ‘goedemorgen’ of ‘goedemiddag’ (afhankelijk van het tijdstip van de dag). De meesten antwoordden dan. Mocht er geen antwoord komen dan herhaalde ik de groet nog een keer. Vaak zeiden mensen dan ‘Oh sorry, goedemiddag.’ Maar er was ook een categorie mensen (tja, als ik eerlijk ben: zichzelf belangrijk vindende mannen van middelbare leeftijd) die hield hun kaken stijf op elkaar. En zolang zij niets zeiden, schande ik geen boodschappen. Ze zullen me wel een naar wijf hebben gevonden, maar ik ben geen robot, ze bekeken het maar. Het grappige was dat dit soort mannen vaak terecht werd gewezen door vrouwen op de leeftijd ‘zou zijn moeder hebben kunnen zijn’. ‘Zeg, ze zei wat hoor!’, zeiden ze dan. Waarop de eikel dan iets mompelde wat ik, met één opgetrokken wenkbrauw, dan maar als groet accepteerde.
Een soortgelijke situatie ontstond een keer toen ons PIN-systeem het niet deed (het pinnen stond nog in de kinderschoenen). Een man van het onvriendelijke type was aan de beurt en nadat ik alles had gescand haalde hij zijn pinpas tevoorschijn waarop ik vertelde dat ‘tot mijn spijt het niet mogelijk was om te pinnen’. Waarop de man ontplofte van woede en zei dat ik dat wel eens eerder had kunnen zeggen. ‘Nou’, zei de mevrouw die achter hem stond, ‘Ik sta achter u in de rij en ik heb het haar in die tijd wel drie keer horen zeggen, dus als je niet op stond te letten dan is dat niet háár schuld!’
Dat was misschien niet per se heel erg lief maar wel heel leuk. Scan_20151005 (4)h

Het roze T-woord

Net als de rest van heel Nederland was ik afgelopen maandag in de ban van het nieuws. De eerste berichten meldden dat ‘meerdere personen’ het vuur zouden hebben geopend in een Utrechtse tram. Vrij kort daarop kwam er een ooggetuigenverslag naar buiten van iemand die in het treinstel áchter het noodlottige had gezeten. Volgens hem was één vrouw het doelwit en waren de andere slachtoffers mensen die haar probeerden te helpen.
Een doelbewuste actie, gericht op één persoon dus. Wellicht gepleegd door een stalker of iemand die in een psychose zat. Vanwege de afbraak van de geestelijke gezondheidszorg kunnen en zullen we dit soort berichten steeds vaker horen. Het is schrijnend en het is verschrikkelijk voor de mensen die het meemaken of vanaf maandag iemand moeten missen in hun leven, maar één ding is het niet, en dat is wel het woord dat de hele dag rondzoemde.
Een woord dat nooit gebruikt wordt als een witte man zonder aanziens des persoons om zich heen gaat maaien.

‘We moeten rekening houden met terrorisme’, werd er al snel gezegd. Dat je er als veiligheidsdienst rekening mee moet houden, dat begrijp ik, maar je moet het niet zeggen. Je kunt het namelijk niet meer uitwissen. Al snel werd duidelijk dat het om één dader ging: een doorgesnoven crimineel die recent nog voor de rechter had gestaan in verband met een verkrachtingszaak.
En daarmee werd mijn eerste theorie zo goed als bevestigd: dit is geen terrorisme maar seksisme met dodelijke afloop.
Maar ‘terrorisme’ zal blijven hangen in het brein van mensen die niet hebben geleerd overal over door te vragen. Ook als je zegt ‘het was toch geen terrorisme’ horen mensen nog een keer het woord ‘terrorisme’. Het is net zoals de zin ‘Denk niet aan een roze olifant’. Dan kun je heel krampachtig aan een blauw nijlpaard gaan denken, je ziet toch eerst die olifant voor je. En als tante Mien uit Appelscha dan op woensdag in dat stemhokje staat denkt ze ‘het was een Turk met een wapen, was terrorisme, dat zei Rutte’. En voordat je het weet stemt ze uit angst op een blaaskaak die NSB-waarden in een nieuw jasje heeft gestoken. Want ze is bang voor ‘ze’.

En die ‘ze’ hebben inmiddels heel wat op hun geweten. Zoals een kennis het een keer verwoordde: ‘Ze hebben ook Pim Fortuyn vermoord.’
‘Ze?’, zei ik. ‘Wie bedoel je met ‘ze’? Pim Fortuyn is neergeschoten door een psychisch verwarde milieu-activist die het er niet mee eens was dat Fortuyn nertsenfokkerijen weer toe wilde staan. Dus wie zijn ‘ze’?’
Daar had hij geen antwoord op.
‘Ze’ zijn een mengsel geworden van halve waarheden en hele enge roze olifanten.

Het op één na beste boek dat ik in 2018 las was ‘The hate u give’ van Angie Thomas. Een young adult novel die het stempel ‘iedereen moet dit lezen’ zou moeten krijgen. Niet alleen omdat Thomas vlotte dialogen en sympathieke karakters weet te schetsen, maar omdat ze in haar romans maatschappelijke problemen aan de kaak stelt zonder dat haar romans ‘zwaar’ of ‘moeilijk’ worden.
Ik schrijf romanomdat ik er onlangs achter kwam dat begin dit jaar haar tweede boek is uitgekomen (thank you Trevor Noah for letting me know). De hoofdpersoon in ‘On the come up’ woont in dezelfde buurt als Starr uit ‘The hate u give’, maar Bri woont alleen met haar moeder en haar broer, die onlangs zijn studie heeft afgebroken om weer thuis te gaan wonen. Haar vader was een rapper die vlak voor zijn doorbraak is doodgeschoten door leden van een rivaliserende bende. Bri blinkt niet uit op school maar het lijkt erop dat ze haar vaders talent heeft geërfd. Onder begeleiding van haar tante (die lid is van de gang Garden Diciples) probeert ze een plek te krijgen in The Ring waar rapbattles worden gehouden.
Het is een misvatting om te denken dat ‘rappen’ het (enige) onderwerp van de roman is. Het gaat over vriendschappen, over de verwoestende invloed die drug hebben op gezinnen, over armoede, over imago en het al dan niet voldoen aan verwachtingen die mensen van je hebben, stigmatisering en de schade die dat aan kan richten. En, net als in het vorige boek: het vinden van je stem en de moed om die te laten horen. Maar bovenal is het weer een steengoede roman die leest als een trein. En ja, er zijn al plannen om het te verfilmen maar daar hoef je natuurlijk niet op te wachten.