Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘vrouwen met Asperger’

Van ’t weekend zei de mijnheer hier in huis ‘Ik wil dinsdag even met een vriend uit eten, kan dat?’
Ja, dat kon. Het leek wel zo’n rijvaardigheids-theorie-vraag want het kon op het nippertje, een dag later werd van hogerhand de horeca gesloten. Maar dat was natuurlijk niet de reden dat hij het vroeg, de vraag was ‘schikt het en vind je het ok als ik weg ben?’
En ook daarop was de vraag ‘ja’. Een aantal jaar geleden zou ik nog de drang hebben gevoeld om die avond ook per sè ‘iets’ te moeten doen. Ook uit eten met iemand. Of naar de film. Om te bewijzen, al was het maar voor mezelf, dat ik ook heus een sociaal leven heb.
Maar sinds ik sinds maart van dit jaar niet meer dagenlang ‘alleen’ (met hond) thuis zit vind ik het veel minder erg om ’s avonds wel alleen te zijn. Mijn ‘sociaal’ is al behoorlijk gevuld met dagelijks samen met de mijnheer die boven werkt lunchen.
Het is niet dat ik helemaal geen behoefte heb aan contact met andere mensen, toen de scholen nog gesloten waren had ik wekelijks via videobellen contact met een vriendin en las ik haar kinderen voor. En een paar weken geleden ben ik bij hen op bezoek geweest.
En mijn avond alleen ben ik begonnen met het schrijven van een lange brief aan een vriendin (tja, ze vroeg om leestips dus dan vraag je gewoon om 3 vellen A4…). Ik ben heel sociaal, op afstand.
De rest van de avond bestond uit het kijken van The Daily Show met de hond op schoot, alle vegan sushi in m’n eentje opeten en de laatste drie hoofdstukken van een boek ongestoord in één keer uitlezen.
Morgen weer lunchen met de mijnheer die hier ook woont.

Read Full Post »

Ik hou ervan om in de zon een boek te lezen, het liefst in mijn eigen tuin omringd door ‘mijn’ mussen en mijn plantjes. Dus denk ik elke winter weer dat de zomer leuk is, want dan kun je dat doen. Ik trap er elke keer weer in.
Al sinds het begin van de corona-crisis wordt ik elke ochtend wakker van een slijptol, een vlammenwerper, hamer of gewoon het geschreeuw van klussers die boven het lawaai van hun werk of de radio uit proberen te komen. Door de weeks zijn het de ‘professionals’ die een verdieping op het huis van de achterburen aan het zetten zijn en in het weekend zijn het de hobbyklussers.
Als ik half-groggy ben opgestaan kan ik wel even buiten in de zon zitten ontbijten, maar de klusgeluiden gaan onverminderd door. Prikkels die ongemerkt heel veel energie vreten.
Tegen een uur of twaalf is het te warm om buiten te zitten (tussen 12 en 3 vermijd ik sowieso de zon), dus ga ik naar binnen waar ik nog steeds het gehamer en de slijptol hoor en waar ik moet kiezen tussen het te warm hebben en het aanzetten van de ventilator die ook herrie maakt.
Tegen een uur of vier kan het zijn dat het eventjes rustig is buiten. Dan sluip ik met een boek naar buiten om even in de ligstoel te zitten die ik vorig jaar heb gekocht. Maar afgelopen woensdag had ik me nog niet geïnstalleerd of de adem werd me benomen door een allesoverheersende spriritus-walm. Dus tuinkussen in de schuur gegooid, naar binnen gevlucht en snel alle deuren en ramen dichtgedaan.
Maar het hielp niets: ik kon bijna nergens in huis ‘zijn’ zonder de lucht van verbrande lichaamsdelen te ruiken. Barbecue staat voor mij symbool voor alles wat slecht is aan de mens: ‘ik doe gewoon waar ik zin in heb ook al hebben anderen daar last van. Het kan mij niet schelen dat dit heel slecht is voor mensen met astma of covid-19. En dieren eten? Nou èn, ik vind het lekker.’
Huilend stond ik in de gang, de enige plek waar ik niet hoefde te ruiken wat mensen andere dieren aandoen, totdat mijn man mijn boek voor me uit de keuken haalde en me meenam naar een bankje aan het water (nee, hij heet geen Suzanne) waar hij zijn werk af kon maken en ik een boek lezen. En daar bleven we maar zitten tot een uur of zeven, ook al begonnen we zelf ook wel trek te krijgen.
Rond half 9 konden we zelf eten en om middernacht naar bed. En dan hadden we nog mazzel dat er die avond geen buren tot half 2 in de tuin rond een vuurkorf zaten te praten, want dat komt ook regelmatig voor. Dan val ik eindelijk in slaap maar schrik ik om het half uur wakker omdat er iemand hard lacht of een flesje laat vallen. ’s Morgens zijn dan al mijn spieren verkrampt van de schrik.
Vanmorgen begon de slijptol overigens om half acht. En dan hebben we nog een week hittegolf te gaan.

Read Full Post »

Net als vele anderen met autisme, hecht ik waarde aan correct taalgebruik. En dan bedoel ik niet alleen ‘grammaticaal correct en zonder vage uitdrukkingen als ‘hoe sta jij daarin?’ terwijl ik op een stoel zit’, maar ook ‘beleefd’. Mijn sentiment kan doorschemeren door de manier waaróp ik dingen zeg, maar de woorden die ik kies zijn over het algemeen beleefd. Dit kan soms tot komische situaties leiden. Zo belde ik ooit eens de brandweer.
‘Goedenavond, u spreekt met…Wellicht bent u er al van op de hoogte maar er is brand ontstaan in een metalen vuilnisbak in het Kenaupark. De vlammen zijn ongeveer een meter hoog. Ok, hartelijk dank en nog een fijne avond’.
Degene naast me in de auto moest hartelijk lachen toen ik had opgehangen. ‘Er staat een vullisbak in de fik!’ zei hij op de schelle toon die ik niet in mijn register heb zitten.
Die lijkt me ook niet zo handig als er informatie moet worden overgebracht. Zo heb ik ooit vast gezeten in een lift en op dezelfde kalme toon het gesprek gevoerd met degene aan de andere kant van de intercom terwijl ik het meisje dat naast me stond en behoorlijk in paniek begon te raken de Flair uit mijn tas in handen drukte.
Maar het kàn ook een nadeel zijn. Zo belde ik ooit de huisarts en legde aan de assistente uit dat ik enorme rode bulten in mijn gezicht had en dat ik ‘vandaag nog een arts wilde zien’. De andere assistentes weten dan dat er ècht iets aan de hand is.
Deze niet. ‘Er is geen plek vandaag.’
‘Maar het wordt steeds erger en de plekken drukken tegen mijn oor en mijn oog. Ik maak me ernstige zorgen.’, zei ik.
Ze zou terugbellen. Toen dat na een uur nog niet gebeurd was belde ik zelf nog maar een keer. Dat irriteerde haar want ze had gezegd dat ze me terug zou bellen en ze had het druk. ‘Nou, ik zie er inmiddels uit alsof of moet figureren in Star Trek en het wordt nog steeds met het kwartier ergen’, zei ik.
Nou bij de gratie Gods mocht ik langskomen. Het consult duurde minder dan een minuut want mijn arts zag het gelijk: gordelroos in het gezicht en ik mocht direct door naar de oogarts om te laten controleren of mijn oogzenuw niet was aangetast. En wat had de assistente in de computer ingevoerd? ‘heeft last van plekjes in het gezicht’.
Toen had ik ook wel even zin om een aantal heel onbeleefde dingen te zeggen op niet zo kalme toon.

Read Full Post »

Ken je dat gevoel? Het gevoel dat een boek speciaal voor jou geschreven is? Ik had het een aantal jaar geleden met ‘Het leek stiller dan het was’  en nu had ik het weer met ‘Zondagskind’ van Judith Visser.
Het begon al op de eerste bladzijde waar de hoofdpersoon (Jasmijn Vink) tijdens de rijles ‘zinnetjes’ maakt van alle nummerborden die ze ziet. Dat doe ik dus ook. En nee, ik ben er ook nog steeds niet in geslaagd om mijn rijbewijs te halen, te veel indrukken, te stressvol.
Na dat eerste hoofdstuk, dat zich afspeelt in 1997, gaat het verhaal terug naar begin jaren ’80 waarin Jasmijn 4 jaar oud is en voor het eerst van school wegloopt. Kleuterschool is een kwelling voor haar. Ze praat niet tegen de juf, ze praat eigenlijk alleen tegen familieleden (inclusief de hond) en één vriendinnetje. Er zijn te veel indrukken, er wordt gegild, blokken komen met donderend geraas op de grond terecht. Jasmijn houdt het niet uit en vlucht. Ze wil terug naar mamma en naar haar hond. Maar omdat ze in haar eentje de straat niet over mag steken verdwaalt ze.
Van school weggelopen ben ik nooit, maar de waarom-buien (zoals Judith’s moeder het noemt) zijn mijn eigen moeder maar al te bekend, de imaginary friend had ik ook (voor Judith is het Elvis) en de behoefte om, bij ernstige overprikkeling, met iets te gooien, zijn voor mij heel herkenbaar. Net als de behoefte om me af te zonderen na schooltijd en een afkeer van de drukke aula tijdens de pauzes.
‘Zondagskind’ is een roman over een meisje dat opgroeit in een tijd waarin Asperger nog niet bekend was (de artikelen van Hans Asperger waren nog niet uit het Duits vertaald) en kinderen zoals zij nog ‘overgevoelig’ werden genoemd. Als het meezat. 
Voor zover ik weet is dit de eerste roman met een hoofdpersoon die Asperger heeft die ook geschreven is door een auteur met Asperger. Daarnaast zijn de hoofdpersonen met Asperger in populaire romans zonder uitzondering man: Dan Tillman in ‘Het Rosie Project’ en ‘Het Rosie Effect’ en Christopher in ‘The curious incident of the dog in the night-time’. Niet alleen zal deze roman een feest der herkenning zijn voor veel vrouwen die al weten dat ze Asperger (of ‘Het syndroom van Saga Norèn) hebben, het zal ook velen op het idee brengen ‘Hé, misschien heb ik ook wel…’

Read Full Post »