Feeds:
Berichten
Reacties

Posts Tagged ‘stad’

Geen dorp is compleet zonder dorpsgek en aangezien ik in een stad woon heeft mijn woonplaats er meerdere. Vroeger had je Rubberen Robbie, die op rubberen laarzen en gekleed in een lange oliejas elke dag een ‘goedkope ballpoint’ kocht bij de Bruna omdat hij een brief moest schrijven aan iemand in niemandsland. En dan is er ook nog Gerda, die overduidelijk als een mijnheer is geboren, en op zonnige dagen bij de ingang van het Proveniershof staat en vriendelijke dingen zegt tegen voorbijgangers. ‘Mooi weer hè?’ of ‘Moeder en dochter samen de stad in? Ja, kun je wel zien hoor.’ En de vrouw die eruit ziet als een bejaarde versie van Pippi Langkous en met een ijle stem liedjes zingt. Ik ken ze allemaal mijn hele leven al. Maar ik kom ze alleen nog tegen als ik in het centrum ben (behalve Robbie dan, want die is niet meer).

Van Oorschot (links) en Van Rossum

Van Oorschot (links) en Van Rossum

Gelukkig heeft de Cronjé-buurt zijn eigen buurtgek. Hoe hij heet weet ik niet, maar hij lijkt op van Oorschot, één van de twee mannen van Roos die vroeger Villa Achterwerk presenteerden en verzot was op roze koeken en het drukken op de rode knop. Hij draagt steevast een muts met van die klepjes (vaak stevig onder de kin dichtgeknoopt) en zegt mensen vaak vrolijk gedag. Omdat ik nogal eens een ‘rondje met het hondje’ doe, kom ik hem bijna overal tegen: op de Kennemerbrug, in het Julianapark en op de Schoterweg. Laatst kwam ik de Etos uit en zei hij weer ‘hé!’. Toen kreeg hij Roemer in het oog en zei spontaan ‘Oh, dat is óók leuk!’
Dat klopt inderdaad, Roemer is ook leuk. Zo gek is onze buurtgek dus niet. Ik zeg dan ook altijd gedag terug. Durf nu nog maar eens te beweren dan mensen in de stad hun buurtgenoten niet kennen…

Read Full Post »

Het was zo’n avond waarop mijn stad nog mooier was dan op gewone dagen. De zon straalde om de toren van de oude Bavokerk heen, en bescheen de terrassen. Ik merk dat ik een huppeltje in mijn pas heb als ik naar het laatste onbezette tafeltje loop. Ik plof neer en vriendin Nonja verwoordt mijn gedachten: “Wat wonen we toch in een schitterend stadje, hè? Bij welke tent zitten we eigenlijk?” We kijken achterom. Ah, de tapasbar, dat past perfect bij het mooie weer. Ik weet dat ze hier heerlijke dadels met spek en honing hebben, precies waar ik trek in heb.
Avonden als deze koester ik; Nonja heeft een parttime baan en een goedlopende praktijk (voor hypnotherapie), een drukbezette dame dus. Tel daarbij op dat er dagen zijn waarop ik te moe of te ziek ben om de deur uit te gaan en je begrijpt dat samen eten iets minder vaak gebeurt dan we zouden willen. Maar zo ééns per maand lukt meestal wel. Vaak eten we dan bij Nonja thuis omdat ze telefonische bereikbaar moet zijn voor cliënten. Geen enkel probleem, ze kan heerlijk koken en weet inmiddels wel zo’n beetje welke groenten ik niet goed verdraag. Paprika bijvoorbeeld: ik vind het heerlijk maar krijg er erg veel last van. Behalve van geroosterde, die zijn zacht en daar hebben mijn darmen geen moeite mee. Verder absoluut geen gember en peper. Daar kan ik niet alleen slecht tegen, ik vind het ook nog eens buitengewoon onsmakelijk. Doodzonde, als een kok zich weer eens met de pepermolen heeft uitgeleefd op mijn broodje zalm! En ik stuur het ook gewoon terug, waarom zou ik mezelf kwellen?
Gelukkig werkt er bij de tapasbar geen kok met een peperfetisj. Hoewel we er lang op hebben moeten wachten (het bonnetje was kwijt), kunnen we nu genieten van mediterrane hapjes. Terwijl we met onze stoeltjes een soort dans uitvoeren om maar zo lang mogelijk in de zon te kunnen blijven, bespreken we hoe de zaken ervoor staan. Op het gebied van de liefde, van vakantieplannen en van werk. Nonja denk er serieus over na om de stap te wagen: om over een halfjaar haar baan op te zeggen om zich volledig op haar praktijk te kunnen richten. Heel spannend als je een koophuis hebt waar je graag in wil blijven wonen en daarnaast óók nog een beetje leuk wil leven. Ik vind het heel stoer van haar dat ze zo succesvol en zelfstandig is.
Mijn eigen bedrijf staat nog in de kinderschoenen dus ik kan wel wat tips gebruiken. We brainstormen nog wat over marketingstrategieën. Mijn bedrijf kan nog wel wat naamsbekendheid gebruiken. Ik droom hardop over een bakfiets met de naam van mijn tekstbureau er op en van een hond er in. En daar dan rondjes mee door de stad fietsen. Nonja glimlacht wijs. “Heb je al veel opdrachten dan?” “Nog niet zo veel”, geef ik toe. “En die hond hebben we ook nog niet, maar wel genoeg tijd om hem uit te laten!”
Daar drinken we nog een laatste wijntje op. Als ik naar huis fiets zie ik de zon zakken, de stad koelt af. En dan gaat het fout. Ik krijg krampen in mijn onderbuik en die doen vreselijk pijn. Stoppen heeft geen zin, ik fiets langs het bolwerk (een stadspark) en er is geen toilet in de buurt waar ik even gebruik van kan maken. Ik kan niet anders dan doorfietsen, “au au” kreunen en hopen dat ik op tijd thuis zal zijn. Ik wrijf over mijn buik en kreun nog steeds van de pijn. Wat zullen de mensen die me passeren op de fiets wel niet denken? Maar eigenlijk is dat niet het belangrijkste, ik moet naar de wc en ik hoop maar dat ik niet te laat ben. Dat is me één keer gebeurd (oorzaak: artisjok gegeten), en ik schaamde me dood.
Gelukkig ben ik nu op tijd. Eenmaal thuis ga ik direct door naar de wc en blijf daar ongeveer twintig minuten. Dan komt vriend de gang op. “Hè, ben je al thuis? Was het leuk?”
Ja, ik ben al ruim een kwartier thuis, en de avond was er één om in te lijsten. Alleen het einde poets ik er graag af.

Deze column is ongeveer een jaar geleden geschreven in opdracht van ‘Vriendin’

Read Full Post »

In het tijdschrift ‘Boek’ lees ik een artikel over ‘een provinciestad onder de rook van Amsterdam’. Ah, een artikel over Amstelveen denk ik, totdat ik naar de foto’s kijk. Die komen me wel erg bekend voor… Het gaat dus over de provincieHOOFDstad, de stad waar alle Euro bankbiljetten worden gedrukt, de stad waar Mulisch is geboren en Elle van Rijn nog steeds haar bestsellers typt. De stad die al stadsrechten had toen Amsterdam nog een weiland was: Haarlem.
Hetzelfde gevoel van irritatie bekruipt me als ik woontijdschriften en damesbladen lees met daarin interieurreportages van huizen van ex-Amsterdammers. Het zijn vooral de bijbehorende interviews die ‘t ‘m doen: “We wilden niet meer in

Zicht op de stad Haarlem met het Spaarne, Teylersmuseum en Bakenessertoren

de stad wonen en toen hebben we een huis in Haarlem gekocht.” Pardon?? Als je nou zegt ‘we wilden dichter bij het strand wonen’ of gewoon ‘we waren Amsterdam zat’ ok, dat snap ik. Haarlem is natuurlijk de echte ‘stad achter de duinen’ en een stuk leuker dan Amsterdam. Maar een stad ís het. Als sinds het jaar 1245. En intussen slopen de Amsterdammers de muren uit onze mooie jaren 30 woningen en laten een gietvloer over de hele benedenverdieping leggen zodat de ‘kids’ lekker kunnen skeeleren in huis. Doodzonde als je het mij vraagt want ik vind open keukens armoedig: net of je in een CenterParks huisje woont, maar dit terzijde. Mijn punt is vooral dat Haarlem een stad is met een rijke historie en een eigen identiteit die zich apart van Amsterdam ontwikkeld heeft. En wie het niet gelooft moet maar eens een kijkje nemen in een van de vele musea die de stad rijk is…..
Maar zoals met zo veel dingen, is het allemaal de schuld van de televisie. Die spiegelt ons voor dat Haarlem gewoon een buitenwijk van Amsterdam is. De serie ‘Verborgen Gebreken’ over een ‘Amsterdams’ makelaarskantoor? Meer dan 50% van de tijd zie je Haarlem. Het ‘Amsterdamse’ bloemenstalletje aan het begin van de film ‘First Mission’? Voor de gelegenheid even neergezet in het Kenaupark in Haarlem. Het ziekenhuis waar co-assistent Elin werkte? Staat in Haarlem. Het station dat je ziet in de film Ocean’s Twelve? Je raadt het al.
Maar nu is er dan eindelijk de serie ‘Levenslied’ die er eerlijk voor uit komt 100% Haarlems te zijn. Nu nog even stoppen met het slopen van onze keukens graag.

Read Full Post »